Filmhuis
Thomas kijkt niet om, wandelt zo hard als wandelen mogelijk is zonder aandacht te trekken het stadsplein over, in de richting van de parkeergarage. ‘Ik moet hier weg.’ Op de eenzame trap naar de parkeerkelder kan hij de verleiding om te rennen niet meer weerstaan. Gelukkig, daar staat zijn auto. Buiten adem ploft hij op de stoel, de sloten direct vergrendelend. De knokkels van zijn handen zijn wit, zo hard omklemt hij het stuur. Met een zucht drukt hij zijn voorhoofd er tegenaan en probeert zich op zijn ademhaling te concentreren. Rustig, rustig. Het is alsof hij een klik hoort in zijn hoofd, als de beelden plots binnenstromen, hem opnieuw naar adem doen happen. Hoe kon dit gebeuren?
