Hokusai Bon (2) 11, Café ‘Mijn held’

We stapten samen café ‘Mijn Held’ binnen. Het stond in cursieve rode neonletters op de gevel. We hadden het van afstand al gezien. Willem glom toen hij het zag. Zijn lippen prevelden de twee woorden. We leken op twee adepten die een heilige tempel binnenstapten. Het eerste wat ons trof was een grote wand aan de rechterkant van het café, helemaal vol met knipsels en foto’s. We liepen er meteen op af. Ik had samen met Connie op een zaterdagmiddag een flink stuk van een van de afleveringen gezien. En natuurlijk een klein stukje op die regenachtige avond bij Willem. Maar Willem had ze bijna allemaal gezien. En meer dan één keer. Hij wees foto’s aan en noemde feilloos uit welke aflevering dat kwam. Dat had ik niet achter hem gezocht. Hij was een kenner!
Er kwam iemand binnen die naast ons kwam staan. Een klein mannetje, pet op, krullen bij z’n oren, een jack met een sjaal.
‘Gouwe tijd,’ knikte hij naar de bonte verzameling. ‘Dat was nou echt een gouwe tijd!’
‘HokusaiBon, mijnheld,’ knikte Willem.
‘Geschreven door een Nederlander,’ zei het mannetje.
‘Is het eerlijk?’ vroeg ik verbaasd.
‘Kijk,’ wees het mannetje. ‘Hier staat het.’
‘Een journalist van een groot dagblad had de schrijver geïnterviewd. Ik zag een foto van een keurige meneer in z’n werkkamer.’
‘Izzetniet Japans?’ vroeg Willem.
‘Heeft er niets mee te maken,’ zei het mannetje. Hij stak zijn hand uit. ‘Ik ben Stef. Ik wil er wel wat over vertellen. Kom maar mee naar de bar.’
We liepen met hem mee naar de bar.
‘De serie draaide in de jaren zestig,’ vertelde Stef. ‘ Hij wenkte naar een stevige vent achter de bar met een streepsnorretje. Er kwamen een paar glazen bier aanschuiven.
‘Een zekere Willem van Noort, varensgezel, net terug van de wilde vaart wilde het wat rustiger aandoen. Hij schreef een verhaal over een malle Japanner die alles oplost met een honkbalknuppel.’
‘Hokusaibon,’ mompelde Willem
‘Hij leurde er mee bij de Hilversumse omroepen om het als hoorspel te verkopen. Maar dat lukte niet.’
Stef pakte zijn bier, hapte er eens flink in en keek de kroeg rond. ‘Maar een van die jongens bij de radio zag er wel wat in voor de tv. Hij kocht het script en vroeg Willem van Noort of hij er niet nog een paar kon maken.’
Stef hapte weer in zijn bier. ‘Die man vond een kleine acteur die de jap wilde spelen. Ze filmden het in een ouwe schuur. Ze wisten ergens een Japanse theetuin en er werd in een park van afvalmateriaal een zo goed mogelijk gelijkende Japans tafereel nagebouwd.’
‘Dat gebeurde vaker,’ wist ik.
Stef knikte. ‘Toen de eerste Hokusai Bon was uitgezonden werden ze overstelpt met brieven van voornamelijk jeugdige kijkers die een foto wilden met een handtekening van de held.’
Stef grijnsde. ‘Het liep. Willem van Noort heeft veertig afleveringen geschreven, toen had hij er genoeg van. Hij wilde serieus werk maken, maar daar is het nooit van gekomen.’
Ik knikte. ‘En nou hebben ze hier een café dat er naar genoemd is en een museum.’
Stef knikte. ‘Je mag raden wie de eigenaar is van dit café?’
Ik wist het niet.
Willem ook niet.
‘De zoon van Willem van Noort, Karel. Van Noort.’
‘Dasleuk,’ vond Willem.
Stef knikte. ‘Karel heeft dat museum opgezet als een soort eerbetoon aan zijn vader.’
‘Daar kwamen wij voor,’ zei ik.’
‘Dat komt dan mooi uit,’ vond Stef.
‘Hoezo?’ vroeg ik.
‘Dan zal ik jullie straks eens rondleiden in dat museum.’
‘Dasmooi,’ knikte Willem. ‘HokusaiBon. Mijnheld.’
‘Dat was me al duidelijk toen je naar die foto’s stond te kijken,’ knikte Stef. ‘De echte liefhebber komt gelijk op die muur af. Mensen die zomaar binnenkomen interesseert het niet.’
‘’t Is ook zo’n veertig jaar geleden,’ merkte ik op.
‘Maar d’r zit een hoop in die serie,’ vond Stef.
Ik wilde hem niet tegenspreken. Het was maar voor kinderen.
‘Ik bedoel, het kwaad wordt gelijk afgestraft, kom daar tegenwoordig maar eens om,’ zei Stef filosofisch.
‘Eén klap,’ grijnsde Willem.
Ik keek ze verbaasd aan. Er zat inderdaad meer in dan je zou zeggen.
‘En er gaat nooit iemand dood,’ zei Stef serieus, ‘er worden klappen uitgedeeld, en uiteindelijk blijken de slechten toch niet zo heel slecht te zijn.’
Ik keek hem verbluft aan. Willem de crimineel die uiteindelijk toch niet zo crimineel bleek. Ik kreeg het er warm van.
‘Kunnen we hier wat eten?’ vroeg ik de man achter de bar.
Hij schoof me een menukaart toe. Er stond ook een uitsmijter op. ‘Wil jij wat eten?’ vroeg ik Willem. ‘Uitsmijter,’ voegde ik er aan toe.
‘Izgoed,’ knikte Willem.
De deur aan de zijkant ging open en een gedrongen man met een leren vest kwam binnen.
‘Dat is Karel van Noort,’ zei Stef. ‘Zal hij leuk vinden: bezoekers voor zijn museum.’


1 reactie

MBB · 22 juni 2003 op 10:17

Heb even rondgekeken, en dit blijkt een van de meest informatieve (lees: ENIGE) iformatoe over de serie Hokusai bon op internet.
(IMDB niets, Yahoo.com, Google.com en Altavista.nl linken allemaal naar jouw stukjes hier op Columnx)
In andere woorden, als Willen ooit internet krijgt, komt hiuj vrijwel zeker jouw stukjes tegen; dan weet je dat vast 🙂

Geef een antwoord