“Hij sjouwde van kroegie naar kroegie…” Het groepje piraten, dat er vanochtend waarschijnlijk nog stoer en gevaarlijk uitzag maar nu alle overtuigingskracht verloren heeft, zingt de ‘gouwe ouwe’ met zesdubbele tong. Als ze hun tekst kwijt zijn val ik voor ze in. Zolang ze zingen vallen ze niet om, weet ik uit ervaring.
“Die heet op z’n ouwe dag, wie had dat nou ooit gedacht, nog een keeheentje gekrehegen…” Onvermoeibaar vechten de mannen zich door het hele jaren ‘60 repertoire. “As wa bende gij eik?” vraagt er één.
“Ziede da nie?”
“Uhm… Ge zijt gin piraotenvrouwke.”
“Neeje, meneer dun piraat, ik ben vandaog verkleed as ‘vergaone glorie’.”
“Wauw, da’s diep.”

Ik schik de afschuwelijke blonde pruik nog eens met mijn handen. Er valt geen eer aan te behalen, maar dat is dan ook niet de bedoeling. De enorme rimpels en de grauwe gelaatskleur staan in schril contrast met de knalrode lippen en de ogen, blauw tot aan de wenkbrauw. Vergane glorie, niets meer en niets minder.

“Ge meut me ok gewon un ouwijf noemen, hor. Da lekt er op.”
“Mar ge zijt hillemaol nie oud!”
“Mee dees kleren mot ik toch echt achter dunne geraniums.”

De piraat roept de hulp in van een langslopende Fred Flintstone. Na een klap op zijn kop te hebben getrotseerd vraagt hij Fred of ik er echt uitzie als een oud wijf. Arm in arm wordt ik gekeurd. Helemaal stabiel staan de heren niet meer.

“Ik vinter best un lekker wijf.”
“Dé zee ik ok al, mar ze heet zich as ouwijf geschminkt, zeet ze.”
“Ik zie ut nie.”
“Hee Dick! Dick Trom, komt es efkes hier. Ziede gij hier ergens een ouwijf?”

Dick kijkt rond en rond, maar lijkt niets te vinden. Ik dank ze hartelijk en loop naar huis. Mijn opgezwollen ego rolt vrolijk met me mee. Op het moment dat ik de enige nuchtere persoon in de stad ben, wordt het tijd voor mij om te gaan. Soms is dat ’s middags om vier uur. Vandaag is het over elven ’s avonds. Het is mooi geweest. Ik worstel me door ‘New Kids’-groepjes, solo-baby’s en travestieten om, eenmaal thuisgekomen, als een blok in slaap te vallen.

De volgende ochtend trek ik vlug mijn schoolmeisjeskleren aan. Twee staartjes, hoge kniekousen, ruiten rokje en hup, de stad weer in. Op het moment dat ik mijn hoofd buiten de deur steek komt een moeder met haar kind, verkleed als lieveheersbeestje, langslopen. Met grote ogen kijkt het meisje mij aan en begint dan spontaan te huilen.
“Die ouwe mevrouw is eng.”

Snel schop ik mijn ego terug de gang in. Waarschijnlijk wordt het niet laat vandaag.


7 reacties

Mosje · 7 maart 2011 op 18:16

Arta, no doubt
😀

LouisP · 7 maart 2011 op 18:32

“As wa bende gij eik?” vraagt er één.(hahahaha)

Onvermoeibaar vechten de mannen zich door het hele jaren ‘60 repertoire.(mooi!)

“Ik vinter best un lekker wijf.”(hahaha)

Twee staartjes, hoge kniekousen, ruiten rokje en hup, de stad weer in.(Arta)

Arta, ‘k vind het niet alleen heel grappig, ‘k vind het ook heel origineel en ja, gewoon heel mooi…

Ik vintoe best un lekker wijf

Ferrara · 7 maart 2011 op 19:05

Op het moment dat ik de enige nuchtere persoon in de stad ben. :pint: Arta.

sylvia1 · 7 maart 2011 op 19:15

Ah gelukkig, was al bang dat ik de Arta gemist had, maar dit is ‘m… Arta dus!

Mien · 8 maart 2011 op 10:08

Artesiaans Carnaval, kan niet missen !!!

Ontwikkeling · 9 maart 2011 op 00:12

Nobody speaks Brabo as Arta. 😉
*grijnsch*

arta · 9 maart 2011 op 10:21

Jeetje, ik ben wel erg herkenbaar, wanneer ik totaal geen moeite doe om mijn identiteit te verbergen… (Het was dat Brabants, he?)

Dank jullie wel voor het meeraden, leuk, dit thema!

Geef een antwoord