Shocking Tom Tom

Ik had mijn tweede cursusdag, training snellezen. Al was ik wat grieperig, die dag wilde ik voor geen goud missen. Als ontbijt nam ik een beschuitje paracetamol. Vol goede moed, een tas aspirines, drie zakdoeken en klamme handen stapte ik in mijn auto.

Ga toch fietsen!

Kan iemand mij uitleggen waarom een fietser die vanuit Geuzenveld naar het centrum van Amsterdam wil zelf moet trappen, maar iemand uit IJburg met fiets en al met de tram mag? Persoonlijk vind ik dat een bespottelijke situatie, zeker gezien de overlast die fietsen onderweg betekenen voor passagiers. Ten behoeve van mee te nemen fietsen worden bankjes uit trams gesloopt: er wordt in twee trams van lijn 26 ruimte gemaakt voor zeven fietsen. Dat gaat ten koste van een stuk of 14 stoelen per tram. Gevolg: mensen moeten staan omdat wielrijders te beroerd zijn om zelf te fietsen!

Mag ik van u een lift, meneer?

Een onversneden schandaal is het, en alle betrokkenen moeten zich diep schamen. Als je op het op één na drukste station van Amsterdam uit de trein stapt, dan kun je als je bent aangewezen op een rolstoel of een rollator niet overstappen op de tram, en ook een aantal buslijnen is onbereikbaar. Ga maar kijken, daar bij het WTC. Tram 5 is omgelegd, en loopt nu over een viaduct voor het station. Traplopen dus.

’n Beetje verliefd

Het is nog lenteklaar zaterdagavond als vriend Ilias en ik naar het busstation fietsen. Hij heeft afgesproken met een paar vrienden en ik mag mee als vriendinnetje van. Eenmaal op de bus lijkt een avondje voor de televisie hangen me het paradijs. De meisjes die de andere jongens meebrachten, zijn stuk voor stuk gemaquilleerde blonde delletjes, die bij het rijden over een drempel het op een hysterisch gillen zetten. Echt, ik probeer een gesprek met hen aan te knopen, maar telkens weer dwaalt het af naar oogschaduw en Vuittonhandtassen. Mijn humeur staat dan ook op pisnijdig als Ilias ineens naast me komt zitten.

Omrijden is oplichting

Ja hoor, mij overkwam het een poosje geleden ook. Bij het Amsterdamse Centraal Station wilde ik een taxi. Naar de Nieuwe Bickersstraat. Het was miezerig regenweer, vandaar. Maar de sjofele taxichauffeur die tegen zijn morsige auto stond aan te leunen, en overduidelijk alleen maar in was voor lange ritten, vond dat ik beter kon gaan lopen. “Want het is maar een klein stukje.” Nou, ik verzeker u, het was een pesteind: doornat en met een humeur ver beneden het vriespunt geraakte ik op mijn bestemming.