Al wandelend en mijmerend loop ik door de polder. Laantjes in- en laantjes uit. Hoe ik uitgerekend hier, op deze plek, terecht ben gekomen weet ik niet maar ik sta aan een waterkant, naast een rietkraag en kijk naar het langzaam voortkabbelende water. Aan de overkant kwaakt een eend. Een stenen paaltje staat vlakbij, ik loop er naartoe en ga erop zitten. De heerlijke rust van deze idyllische plek doet mij terugdenken en ik herinner mij de mooie jaren die ik hier doorbracht. Terug naar het verleden, en ik zie de roeibootjesverhuur weer, met dat kleine terrasje waar een verfrissing werd geschonken. Hoe mooi waren die keren dat ik daar zat, met haar. Onze gesprekken destijds, het kijken in elkaars ogen, het eerste blozen; die eerste aanraking en die vonkjes.

Maar niets van dat alles is er van over; niets anders dan alleen een herinnering. Ja, het eilandje is er nog wel, en ook het water maar dat kabbel lang niet meer zo mooi als het ooit deed.

Ineens sta ik in dat water. Naast de rietkraag sta ik tot aan mijn middel in het water. Hoe kom ik hier? Vraag ik mij af.
Ik wil teruglopen maar voel dat ik dieper word vastgezogen in de bodem. Steeds verder voel ik mij in de bodem zakken en als ik tot aan mijn schouders in het water sta dan breekt de paniek pas goed los en begin ik te roepen en te schreeuwen.

Als ik over mijn schouder kijk zie ik op de oever iemand zitten, daar waar ik net zat. Ik stop met roepen en kijk nog eens goed. Een vrouw zit daar en zij zit te lezen; de zon schijnt alleen op haar donkere haar.

Ik sla met mijn handen op het water en roep naar haar: ik brul. Als zij opkijkt blinken haar parelwitte tanden in het zonlicht en het lijkt wel alsof zij naar mij lacht. Zij gaat rechtop zitten en lacht nu overduidelijk naar mij; zij zwaait zelfs.
Het water staat nu al bij mijn oren en ik schreeuw uit alle macht naar haar, dat ze mij helpt.

Zij zwaait nog eens en kijk dan weer terug in haar boek. Langzaam zie ik de zon verzwakken en nu pas dringt het tot mij door wie daar zit, op die plek waar ik daarnet zat.
“Waarom help je me niet.” Schreeuw ik. “Wij hebben hier toch mooie tijden beleefd?”

Met het verdwijnen van de zonnestraal wordt haar beeld waziger, tot het uiteindelijk verdwijnt. Mijn hoofd zakt onder water en ik zie alleen nog een zwak licht.

Dan is het donker.

Categorieën: Verhalen

5 reacties

Meralixe · 15 oktober 2011 op 18:52

Deze lees ik liever dan uw vorige column alhoewel ik vermoedt dat het voor u een moeilijk schrijven is over een persoonlijke gedachte.

Nu wil ik niet de grote verbeteraar uithangen maar uitgerekend het woordje “en,”de titel van mijn vorige column stoorde me meerdere keren. Nochtans is dit door veranderde zinsbouw of een vriendelijke komma gemakkelijk weg te werken.

Voorbeeld:

Al wandelend loop ik te mijmeren in de polder.
die eerste aanraking, die vonkjes…

‘t Is pressies of dat ik hier les aan het geven ben.
Geen hammer en geen toetter als Smileys maar een Belgische pint voor de vriendschap na zoveel stoute woorden. :pint:

DACS1973 · 16 oktober 2011 op 00:06

Ik vind dit stuk eigenlijk best goed. Een beschrijving van een droom lijkt het haast.

sylvia1 · 16 oktober 2011 op 11:15

Ik vind die omslag heel sterk, van een zoete jeugdherinnering naar de rauwere kant van liefdesverdriet. Goed beschreven.

Bitchy · 19 oktober 2011 op 06:33

Ik zag het voor me….eng.. maar ook mooi.

Mien · 4 november 2011 op 07:43

Mooie column.
Ik werd even meegezogen.
Daar langs die waterkant.

Mien

Geef een antwoord