Jan was altijd een sterke vent geweest. Zijn hele leven had hij op de grote boerderij gewerkt en ziek was hij eigenlijk nooit geweest.
De open haard had hij opgestookt en in het glas op het tafeltje naast zijn grote fauteuil had hij zijn zelf gestookte jenever ingeschonken.
De kamer werd alleen verlicht door het vuur in de open haard. De uithoeken van de kamer waren niet te zien en de verlichting voor de kerstboom was dit jaar niet aangebracht. De stroom was al geruimere tijd uitgevallen.

Jan had zijn voeten bijna in de haard gestoken. Hij overdacht de situatie. Nederland was al drie jaar bezet door de Duitsers en diverse boerderijen in de omgeving waren afgebrand. Van twee wist hij dat die in de brand waren gestoken. De bezetters waren op zoek geweest naar neergeschoten engelse vliegtuigpiloten en verdachten de eigenaren van deze boerderijen ervan dat zij deze mensen hadden opgevangen.
Jan zijn vrouw was toevallig op bezoek geweest bij de laatste boerderij die afgebrand is. Zij werd door een vallende balk dodelijk getroffen.
Hij was nu een gebroken man, maar zijn verdriet hield hij zoveel mogelijk verborgen.
Hij had tenslotte nog een zoon, Hendrik geheten, een jongen van twaalf jaar oud. Het is hard, maar het leven gaat door en samen hadden ze veel verantwoording op zich genomen.
Zij waren het namelijk geweest die de piloten hadden ondergebracht en de hele boerderij was door de Duitsers binnenstebuiten gekeerd, maar de vluchtelingen waren niet gevonden. Dat kon ook eigenlijk niet, want in de stal tegen de muur stond een brandkast. Die kon alleen opzij worden gezet met een vorkheftruck.
Onder deze brandkast liep een trap naar een kelder, alwaar de mensen zich konden verbergen. Eenmaal in de drie dagen werd de kast weggehaald en konden de vluchtelingen worden bevoorraad. Veel dieselolie voor de heftruck was er niet, dus men moest spaarzaam omgaan met dit zwarte goud. Er was nog een reden om de olie te sparen. Jan en zijn zoon Hendrik hadden namelijk het plan, om met de piloten te vluchten, als er gevaar dreigde. In de schuur stond een oude Landsbulldog uit 1903. Deze had een dieselmotor die met gloeiproppen gestart kon worden. Zij waren van plan om in geval van nood met het gevaarte, dat al aan de oude koets vastgemaakt was, naar een veilige plek te rijden. Zijn andere tractoren waren door de Duitsers in beslag genomen.
Hendrik op zijn beurt had aangeboden om zijn paard Joery dan in te spannen en de koets op deze manier te vervoeren. Hij had al vele malen aan zijn vader getoond dat Joery nog best fit was, door hem aan het halster een ronde door de schuur te laten lopen. Het was steeds een pijnlijke vertoning geweest, omdat Joery oud was en volgens Jan, kreupel. Toch had Jan zijn zoon steeds in zijn waarde gelaten, omdat Hendrik zielveel van zijn paard hield. Die twee waren onafscheidelijk. Hendrik onderhield het tuigage elke week en zette het dik in het vet.

Abrupt werd Jan uit zijn overpeinzingen gerukt toen hij op het raam hoorde kloppen.
“Ze komen morgen,” riep een stem in de nacht. “ Zorg dat je dan weg bent.”
Geschrokken stond Jan op en liep naar het raam, maar aan het knarsen van het grint op het tuinpad, hoorde hij dat de boodschapper alweer wegliep.
Jan had de stem wel herkend. Het was Gustaaf, die iedereen verdacht van NSB praktijken, maar in werkelijkheid was hij een spion van het verzet. Hij had met Gustaaf afgesproken dat hij de onderduikers bij hem kon brengen in geval van nood.
Ogenblikkelijk wekte Jan zijn zoon en samen gingen zij de schuur in. Met de heftruck werd de ingang naar de geheime schuilplaats vrijgemaakt en in gebroken engels vertelden zij de piloten dat ze weg moesten.
Er waren ook gewonden bij en deze werden met een barancard naar de koets gesjouwd.
Terwijl iedereen in de koets plaats genomen had, probeerde Jan de oude tractor te starten.
Met gespannen gezichten volgden de onderduikers zijn handelingen, maar afgezien van een paar doffe knallen gaf het voertuig geen krimp. Uiteindelijk waren de gloeiproppen op.
“ Joery, pap, ik zal Joery voor de koets spannen.” zei Hendrik, die de dissel reeds losgemaakt en opzij geschoven had. Razend snel had hij het paard uit de wei gehaald.
Gelaten liet Jan zijn zoon begaan en het viel hem op hoe behendig hij de dissel aanpaste en het paard inspande.

Met ratelende wielen verlieten ze uiteindelijk het erf. Jan zat nu met zijn zoon, die de teugels in handen had op de bok en draaide zijn hoofd af. De tranen liepen vrij over zijn wangen, want hij wist dat hij zijn boerderij nooit meer terug zou zien en de aanblik van het kreupel sjokkende paard deed hem zeer..
Opeens hoorden zij achter hun in de verte een auto aankomen.
“ Ik weet een andere weg,” schreeuwde Hendrik en draaide van de weg af een bos in, maar toen zij na enige ogenblikken omkeken zagen zij dat de auto hen volgde en naderde.
Nu stond Hendrik op van de bok en sloeg met de teugels. Het leek alsof een onzichtbare arm de koets voortduwde en in razende vaart vervolgden zij het zandpad.
Wat Hendrik niet wist, was dat het oude bruggetje dat daar ergens over een greppel lag al enige tijd geleden door iemand was gebruikt als brandhout.
Net toen de auto de koets wilde passeren reden ze over de greppel en hun achtervolgers sloegen over de kop. Wonderlijk genoeg was Joery met het grootste gemak over de sleuf gesprongen en het leek er een moment op dat de koets moeiteloos meereed, maar samen zagen zij dat de achterwielen aan stukken sloegen en ook de achteras losgeraakt was.
Hendrik nam een grote sprong naar zijn paard en belandde als een acrobaat op zijn rug. Hij gaf hem de sporen en nu leek het alsof zij nog harder gingen als toen zij de achterwielen nog hadden.

Uiteindelijk lukte het om het landhuis van Gustaaf te bereiken en de brokstukken binnen te zetten. Jan was nog uren bezig met het weg bezemen van de sporen en Hendrik had zijn paard in de schuur verzorgd.

De volgende ochtend was het kerst. Gustaaf had een vat rode wijn in de kelder van zijn landhuis aangebroken. Zijn vrouw had de tafel rijk gedekt en samen met piloten hadden zij kerstmis gevierd. Het landhuis van Gustaaf was toch veilig voor de Duitsers, omdat deze dachten dat hij voor hen werkte.

Tussen de zilveren kandelaars door ving Jan de blik van zijn zoon en hij zag een gelukkig stralend gezicht.


4 reacties

bert · 25 december 2005 op 14:39

Prachtig, dit Kerstverhaal. 🙂 🙂 🙂

WritersBlocq · 25 december 2005 op 16:14

Spannend!!! Gaaf verhaal!

sally · 25 december 2005 op 16:17

Volgens mij heb je het hier en daar wat ingekort.
En terecht natuurlijk op deze columnsite. Maar, erg mooi verhaal.Zóveel verteld in zo`n kort stukje. Had van mij zelfs wel langer gemogen.
Heb nu even tijd. 😛

groetjes
Sally

Mup · 25 december 2005 op 18:52

Hoe is het met Gustaaf na de oorlog gegaan? De verdenkingen kunnen weerleggen? Mooi kerstverhaal!

Groet Mup.

Geef een antwoord