De zomervakanties vlogen jaarlijks voorbij.
Hoe warmer het werd, hoe langer wij tennisten op de banen naast mijn huis. Mijn vriend was beter, blonder en breder. Af en toe keken meisjes naar ons, maar zij kwamen voor hem. Ik ging er beter van spelen, dat was het minste wat ik kon doen.
Uren tennisten we per dag. In de verzengende hitte, met een pet zodat we de onvermijdelijke zonnesteek konden uitstellen. Soms kreeg iemand hoofdpijn en repten we ons naar mijn tuin, waar bomen een schaduw wierpen op het voetbalveldje dat mijn vader voor mijn twaalfde verjaardag had gemaakt. Met doelen die hij wit had geverfd en netten zonder gaten. Dan speelden we wedstrijden na. Met Bergkamp en Jonk. Ik gaf het commentaar. “… Jonk… Jonk… – Oeee… Bergkamp!”
Met voetbal was ik beter, ik kon naar een professionele club.
Als het regende speelden we ook. Liever voetbal, want dan kon je tackelen op het natte gras. Ik was Van Basten en hij Wouters, hij schopte mijn enkels kapot alsof het houtblokken waren. We maakten nooit ruzie, dat konden we niet.
We werden ouder en kregen baantjes en vriendinnen. Hij werd opgeëist door een monster en ik wierp me op als spelbreker. Onze vriendschap was mij heilig, vooral in de zomer. Als er ruzie was, kwam hij me helpen. Andersom ook, trouwens.
Ruzie was er sporadisch. Soms met volwassen mensen, of wat daar voor doorging. Mijn overbuurman wilde op onze baan tennissen en vroeg of wij van plan waren te stoppen. Ik vroeg of hij op een andere baan wilde spelen. Hij werd kwaad en priemde zijn vinger in mijn gezicht: “Ik heb jou altijd een rare gevonden.” Ik was veertien jaar en raar, vond mijn overbuurman, op wie ik graag een keer zou kotsen.
Naast de tennisbaan lag slechtlopend midgetgolfpark. Er groeide gras op de banen en slechts heel af en toe klonk er gejuich. Op een dag raakte ik een bal verkeerd, die veertig meter door de lucht reisde om met veel gerinkel neer te komen. Verbaasd renden wij naar het midgetgolfpark, waar de baas furieus informeerde: “Is dit jouw bal?”
Ik knikte. “Je hebt mijn flesje bier van de tafel geslagen. Opzettelijk!”
We stonden op een plek waarvandaan je de tennisbaan niet eens kon zien.
“Sorry,” zei ik. “Het is een ongeluk.”
De man wilde mij slaan, maar ik deinsde achteruit. Hij hulde zich in woede. “Je moet betalen,” riep hij. “Je deed het express.”
“Ik betaal,” zei ik. “Maar ik deed het niet express.”
Hij wilde weer slaan. Zijn woede ging verder dan het gebroken bierflesje.
Ik rende weg en vertelde later aan een van de meisjes dat kwam kijken dat hij een lul was.
“Zijn vrouw heeft kanker,” zei ze. “Hij is zielig.” Ik werd hopeloos verliefd op haar.
Toch vloog ook die zomer voorbij. Zoals elk jaar. Totdat we er te oud voor waren.


2 reacties

Ma3anne · 2 april 2004 op 18:05

Herinneringen aan zomers van vroeger…
een onuitputtelijk thema voor columns, denk ik.

Ik mijmer even met je mee… 🙂

Sarakim · 3 april 2004 op 21:37

Bij het lezen van de column voelde ik de warmte van de zon op mijn schouders….

weer eens vergeten de kachel zachter te zetten.

Neh, serieus een leuke column over warmte die verder gaat dan die van de zon, namelijk door de vriendschap. (wat een kotszin, maar wel waar)

Geef een antwoord