De man kwam binnen, je rook al van een afstand dat zijn ontbijt uit een paar glazen bier bestond. Het woord van het merk stond nog net niet op zijn voorhoofd, doch de lucht verziekte de frisse wachtkamer van de huisarts. Enkele mensen keken afkeurend naar de man van middelbare leeftijd, en ik zag alweer dat het hier wat ging worden. Mijn antennes voelden het al aan. Want de gemiddelde bejaarde die komt bij de dokter voor een klacht, die zit niet te wachten op een dronken man die met veel bombarie binnenkomt met de stemming “Leve de lol, dood gaan we toch wel”!. En wees nou eerlijk, hij heeft gelijk.

“Mag ik bij u zitten”?, vroeg hij aan een jongedame die direct haar gezicht de andere kant uitdraaide. Die werd natuurlijk al teut van de lucht. “Ja hoor”. Alom stilte. De dronken man probeerde met diverse gymnastiekoefeningen zijn lange natte regenjas uit te plukken, en met veel gesteun en half zwalkend door de spreekkamer lukte hem dat, gewoon omdat diverse mensen hem steeds de kant van de vrije stoel naast de jongedame wegduwde.

Het was duidelijk, niemand wilde iets met hem te maken hebben. Maar hij was niet zo dronken of hij had het wel door en deze conversatie is geheel op waarheid berust—mijn waarheid dan.
“Waar kombt u voor”? vroeg de dronken man, zich half omdraaiend naar een oude vrouw links van hem. Ik dacht, rechts komt zo wel aan de beurt wedden? Goed gewed.

“Last van mijn reuma”, sprak de oude dame blozend en tegelijk haar hoofd afwendend van die drankkegel. Die vrouw genoot nog van haar beschuitje met thee natuurlijk.
“O, da’s nie zo mooi meissie, enne jij ook”?, tegen rechts jong
“Nee, ik niet”, snauwde de jongedame.
“Náh dan kom ie zeker voor de pil of zo, of ben je al dragende”, vroeg de bierkegel brutaal.
“Nee, ik kom niet voor de pil, en al wat ik draag is deze tas”, kwam er een sneer terug. Het humeur van de jonge dame zakte als een baksteen. Mijn glimlach viel hem op.

“Wat zijn mensen altijd stil en chagrijnig hé, as se bij de huisarts benne. Wordt je vanzelf wel ziek van”, sprak hij toen tegen mij.
“Nou dat valt toch wel mee, het is nog vroeg”, antwoordde ik
“Ja meissie maar se benne toch al wakker, anders satte se hier niet”, hij lachte en hoestte tegelijk, zonder de handen voor de mond. Overal afkeurende gezichten om mij heen. Ja inderdaad fris was anders.

“Wat hebbie”? , begon hij zijn verhoor dan maar aan mij.
“O, even een hechting uit mijn knie laten halen, zo gebeurt”.
Staat meneer ineens op, kijkt de kamer rond en zegt zo in het algemeen “Kenne jullie die dame niet effe voor late gaan, se is so klaar met dat draadje uit der knie te peuteren, mot se daarvoor tusse al die dooie postzegels sitte”.! “Kijk ik ben nou so dronke as en melijer, en ik mot straks naar ut siekehuis voor een implante ehh ehhh dinges, sodat ik nooit meer sal drinke anders kost me dat een skeiding.Maar dan kenne jullie die meid toch wel effe voor late gaan”!

Strijdlustig ging hij weer zitten en keek triomfantelijk om zich heen, en ik, ik had een rode pieper wil je niet weten.
“Nee, ik wacht ook netjes op mijn beurt hoor, je wordt toch geroepen door de assistente”, meldde ik nog overbodig.
Maar ik kwam er niet meer tussen, ineens kwam iedereen in opstand in de spreekkamer, iedereen tokkelde ineens door elkaar.
“Ja, ik was hier eerst”, en “Ja ik heb een afspraak hoor, en ik zit hier al een half uur te wachten, dat ging nog even door totdat de deur van de spreekkamer van de huisarts met een harde knal opengegooid werd.
“Zeg wat is hier aan de hand”,brulde de roodgeworden huisarts tegen zijn wachtende patiënten.
“Mijn schuld dokter”, sprak de dronken man, “ik wilde gewoon de mensen effe onderling ketakt met elkaar laten hebbe en u ziet, het is gelukt. Mensen praten weer met elkaar”.

En met een dikke knipoog sloeg hij de ene been over de andere, een patiënt die rustig en gewoon op zijn beurt wachtte.
Maar voorlopig had hij de boel wakker geschud. Met een dikke knipoog naar mij ging hij heerlijk relaxed achterover zitten met zijn ogen dicht, wachtende op zijn beurt.


klapdoos

Gewoon een Amsterdamse vrouw die met een vrouw getrouwd is, ziek is, zodanig dat de neerwaartse spiraal steeds verder zakt. maar een kniesoor die daarop let. Ik lach graag, heb genoeg traantjes gelaten om mijn ziekte en nu is het tijd om via mijn nieuwe boek eens door te gaan met uit het leven te halen wat er te halen valt, zeker in een crisistijd is het de kunst om toch vrolijk te blijven. Mijn motto is dan ook: Een dag niet gelachen is zeker een dag niet geleefd.

5 reacties

FatTree · 28 augustus 2007 op 09:30

Ik heb een aantal keer hartelijk moeten lachen, en het idee van een pijnlijke stilte in de wachtkamer zal ons allen wel aanspreken. Ik heb soms ook weleens gedacht: ‘wat moet hier in godsnaam gebeuren voor iemand wat zegt?’.

Soms had ik wel wat moeite met de zinsopbouw, die niet altijd even logisch verloopt.
voorbeeld: ‘Ik dacht, rechts komt zo wel aan de beurt wedden? Goed gewed.’

Maar dat kan natuurlijk persoonlijk zijn.

pally · 28 augustus 2007 op 09:46

Hij is geestig, Lenie! En wat je bij mij voor elkaar kreeg was, dat ik al lezend steeds meer sympathie voor die man kreeg. Goed gedaan,

groet van pally

pepe · 28 augustus 2007 op 11:12

Echt weer knap geschreven hoe wij, door jouw ogen, een kijkje mochten nemen in die stille wachtkamer;-)

Mup · 28 augustus 2007 op 13:42

Dronken mensen en kinderen…goed neergezet.

Groet Mup.

SIMBA · 28 augustus 2007 op 18:27

[quote]ik wilde gewoon de mensen effe onderling ketakt met elkaar laten hebbe en u ziet, het is gelukt. Mensen praten weer met elkaar”.[/quote]
😆 😆 😆

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder