Stomme vooroordelen

Het gaat goed met de negers in Amerika. De zingende negers welteverstaan. Op een doordeweekse verveelavond zap ik heel wat kanalen af op de tv. Regelmatig komt één van de muziekzenders langs in de hoop een leuk deuntje te vinden. Ik zie veel rap en veel neger en wat mij opvalt is dat de auto’s duur zijn, de juwelen groot, de vrouwen mooi, en veel tanden van goud. En dit alles in overvloed.

Warme bakker

Mijn boodschappen haal ik bij de supermarkt. Niet alles. Brood koop ik bij de bakker want wat bij een supermarkt voor brood doorgaat, duw je een varken niet eens door de strot.
Dan zou je binnen de kortste keren de milieu-en dierenpolitie in je nek hebben.
Een waarschuwing op de verpakking is toch het minste wat je mag verwachten, als eis van de warenwet.

Poezenleed

Ik deel mijn huis met mijn zoon en twee poezen.
Ik weet dit omdat mijn zoon en mijn twee poezen me de oren van mijn kop eten. Mijn zoon stort zijn was in de douche en de poezen maken de bak vuil. Verder maken mijn poezen er een gewoonte van op mijn telefoon te slapen zodat ik me er achterlijk naar kan zoeken als ik heb ergens hoor gaan.
Meestal is mijn zoon bij zijn vriendin en slapen mijn poezen
80 % van de dag dus eigenlijk heb ik het rijk alleen.

Grote …

‘Doe maar een grote.’
Nu ben ik niet echt gesteld op groot, alleen wel als het om een kop koffie gaat. Gelukkig weten ze dat bij de stationsrestauratie ook. Ik zou toch wel schrikken, als datgene wat jullie lezers in eerste instantie dachten, ineens op de toonbank wordt gelegd.

Kampong

De meneer op Schuttersveld nummer 10, is oorlogsveteraan. En hij is boos, of beter gezegd; laaiend. Hij slaapt niet goed en dat is hún schuld. Elke dag wordt hij voor dag en dauw wakker gemaakt. En dat pikt hij niet meer. Hij komt hier tenslotte voor zijn rust. Ze moeten weg, en wel meteen. Als het niet goedschiks kan dan moet het maar kwaadschiks.