In mijn hoofd
Mocht ik het nog eens over moeten doen, ik was klusvrouw geworden. Stucadoren, behangen, schilderen, vloeren leggen en nieuwe waterleidingen maken, ik kan het allemaal.
Mocht ik het nog eens over moeten doen, ik was klusvrouw geworden. Stucadoren, behangen, schilderen, vloeren leggen en nieuwe waterleidingen maken, ik kan het allemaal.
De dag dat wijlen Pim Fortuijn werd vermoord de dierenactivist Folkert van de Graaf zal ik nooit vergeten. Ik was toen pas zeven jaar oud, maar toen al maakte de politieke moord een immens grote indruk op me.
Juist als ik definitief dreig in te dommelen, meldt de conducteur zich via de intercom. ’s Mans stem davert op orkaankracht door de coupé. Goeie genade zeg. Ik ben op slag klaarwakker. Mijn overbuurman, een knul met zwarte [i]geek[/i]-bril, kijkt op van zijn Nintendo en werpt een woedende blik op de tetterende luidspreker boven zijn hoofd. Een oude dame schuin aan de andere kant van het gangpad trekt een grimas en frummelt aan het volumewieltje van haar gehoorapparaat.
Voor de zoveelste keer wordt Monique wakker. Wat hoort ze? Ze stapt uit bed en loopt de babykamer binnen. Met wild kloppend hart kijkt ze in het bedje. Gelukkig. Lisa ligt lekker te slapen. Toch durft Monique haar niet alleen te laten. Ze heeft het geprobeerd, omdat ze zich niet wil laten gek maken door alles dat ze heeft meegemaakt. Gewoon verder gaan met leven; het lukt echt niet. Michael komt met een slaperig gezicht uit de logeerkamer. “Is alles goed?” vraagt hij, terwijl hij luid geeuwt. Monique kijkt geërgerd. “Doe nou zachtjes, ik wil niet dat Lisa wakker wordt.” Even kijkt Michael verwonderd. Tjonge, wat is Monique prikkelbaar! Hij is nu drie dagen thuis, maar er is geen pijl te trekken op de buien die ze steeds heeft. Ook wel logisch, natuurlijk, het is ook niet niks, wat ze allemaal heeft meegemaakt, maar zo nu en dan reageert ze echt overdreven.
Gina drukt de wekker uit, sluipt stilletjes uit bed en rolt een gewone maandag in. De rest van het gezin mag nog even genieten van hun slaap. Ze doucht, zoekt de juiste kleding uit voor de komende werkdag. Als ze halverwege de trap is komt de poes haar al tegemoet, kronkelt om haar benen.
‘O nee, wat is dit?’
Ze slaat haar handen voor haar mond, pakt de leuning stevig vast en gaat zitten op de onderste tree. De stilte in deze chaos is haar vreemd, in haar lijf giert de adrenaline en haar hart lijkt een ongeleide stuiterbal. Terwijl de tranen over haar gezicht glijden, draait ze zich om en klimt de trap weer op.