‘Hoe gaat het nou met je vrouw?’
Ik keek door het raam naar buiten. Ik kende de vraag, maar het antwoord moest ik altijd schuldig blijven. Ik was drieëntwintig toen ik haar leerde kennen in de boekhandel waar ik werkte. Drieëntwintig en onervaren, zoals er wel meer zijn. Haar diepzwarte haar in combinatie met de katachtige ogen deed me blozen. Nu zijn we achttien jaar getrouwd. Dit doet me nog steeds blozen, maar nu als schaamte. ‘Ik weet het niet. Volgens mij gaat het best goed.’
Vijfendertig jaar geleden speelden ik en mijn beste vriend nog verstoppertje in het park. Nu zijn we gedwongen om verstoppertje te spelen voor onze vrouwen om zonder geklaag een biertje te kunnen nuttigen. Het is niet altijd makkelijk om getrouwd te zijn. Vroeger zeiden we tegen elkaar dat niets ons kon breken. We waren de ridders van onze eigen ronde tafel, zonder tierelantijntjes. Nu is de ronde tafel er eentje met een linnen tafeldeken en een bosje bloemen.

‘Het gaat helemaal niet goed met haar. Je weet het, dunkt me.’
Hij heeft gelijk. Ik verwaarloos de relatie, zoals ik ook mezelf verwaarloos. De ijdelheid die ik vroeger bezat, is met de jaren weggedreven. Schoonheid is voor mij al lang geen vereiste meer. De spiegel bestaat voor mij enkel nog om de confrontatie met mijn verwaarlozing aan te gaan. De spiegel toont me een mislukkeling. Een mislukkeling wiens jeugddromen al zijn begraven, terwijl zijn lichaam nog rondzwerft, tevergeefs zoekend naar enige vorm van succes. Ik weet niet of ik een uitzondering ben in de massa, maar ik voel me in ieder geval anders. Wanneer ik rondkijk op mijn werk, zie ik mijn collegae met een burgerlijke glimlach achter hun computers zitten. Op hun bureau staat een fotolijstje met foto’s van een glimlachend gezin. Mijn kinderen krijg ik niet aan het lachen, ze vinden dat ik ‘stomme’ humor heb. Lachen doen ze wel, maar enkel met de vaders van hun vriendjes. Zij zijn tenminste wel leuk, niet zoals de eigen vader, die streng, stom en vervelend is.

‘Ze is gisteren huilend bij mijn vrouw op haar knieën neergestort. Ze wil dit leven niet meer zo, Dirk.’
We hebben de laatste tijd veel ruzie gehad. Ze blijft zeuren over mijn lichamelijke verzorging en de manier van opvoeden. Ik moet meer tijd vrijmaken voor mijn gezin, zei ze met een ernstige toon in haar stem. Ik zou wat meer met de kinderen moeten doen, want dezen zouden ongelukkig zijn, net als zijzelf. Een goede vader ben ik nooit geweest, maar dat heb ik ook nooit kunnen leren. Ik heb geleerd hoe ik met cijfertjes om moet kunnen gaan, niet hoe je met kinderen om moet gaan. Minnekozend dreven de eerste jaren van onze relatie weg. We keken niet om ons heen, maar enkel naar elkander. We lieten de wereld voor wat het was en zweefden op een onbereikbare hoogte in de lucht. Toen ze zwanger werd, werden we te zwaar om te zweven. We keerden met een harde val terug op de aarde, waar we de jaren voor onze verliefdheid hadden doorgebracht. We keken om ons heen, wetend dat dit een breuk betekende. De kinderen werden een breuk in de relatie. De kinderen kwamen tussen ons in te staan en lieten ons zien hoe beperkt verliefdheid eigenlijk is.

Net toen ik een reactie wilde geven op hetgeen mijn vriend zei, ging de telefoon. Ik pakte op met een norse stem. Het was Laura, de vrouw van mijn vriend. Ze had gehuild zo hoorde ik, want ze kwam nauwelijks uit haar woorden.
‘Mmma….ara,’ zei ze met een hakkelende stem, emotioneel zwaar aangeslagen.
Mijn vriend zag dat mijn huidskleur veranderde. Ik werd spierwit en het begon zachtjes te regenen op mijn wangen.. ‘Wat is er?’ vroeg hij.
Ze waren samen met de fiets op weg naar mijn huis. Ze wilde met me praten, ze wilde dat het goed zou komen tussen ons. Op de weg nabij slagerij Wittekens werd ze geschept. Een dronken automobilist reed mijn vrouw dood.

Ik was alleen. Ik was alleen met de kinderen. Het ongelukkige gezin ging door met leven, maar miste een schakel. Het gezin werd niet beter. Wanneer je een woord uit een slechte zin haalt, dan wordt de zin op zich niet beter. Vaak genoeg wordt de zin daarna nog slechter. We zijn nog steeds ongelukkig, maar wel ongelukkig op onze eigen manier, zoals Tolstoj eerder beschreef in [i]Anna Karenina[/i]. Mijn vriend zie ik nooit meer, die is gelukkig met zijn vrouw. Zij zweven nog in de lucht, want zij hebben geen kinderen. Zij kijken niet naar anderen, maar enkel naar elkander. Ze zijn gelukkig als alle andere gelukkigen. Ze zitten in een trance.

[i] Grijpend naar de fles denk ik aan mijn eigen jeugd
Drinkend zie ik al mijn jeugddromen in mijn hoofd
Slikkend voel ik me emotioneel en wil naar vroeger
Huilend concludeer ik dat liefde de mensheid verdooft [/i]


6 reacties

Mien · 8 juni 2009 op 17:08

Treffende tragiek in een onwezenlijk bestaan.

Mien

LouisP · 8 juni 2009 op 19:23

Maurick,
bijzonder om te lezen. Ik had wat moeit om de personages in het begin uit elkaar te houden.
De laatste zin.Tsja.. moeilijk.
Zoals gezegd, bijzonder, en met veel aandacht gelezen!
groet,
Louis

arta · 10 juni 2009 op 09:31

Zeker een stuk met potentie, maar op de één of andere manier komt het niet geheel natuurgetrouw over…

trex01 · 10 juni 2009 op 19:57

Meen je dat nou?

trex01 · 10 juni 2009 op 20:02

Ik weet gewoon niet wat ik hier van moet vinden. Wat is nu de achterliggende gedachte? Misschien dat mannen meer aandacht aan hun kinderen moeten besteden, of dat je als man niet op een vrouw met gitzwart haar en katachtige ogen moet vallen? Het ligt waarschijnlijk aan mij, maar ik vind het wat melodramatisch. Maar op zich wel knap dat je zoiets kunt verzinnen….dat hoop ik tenminste, dat het fictie is. Anders ben je mooi de sigaar.

trex01 · 10 juni 2009 op 20:07

Hmm, dat heb je ervan als je te snel met je commentaar bent. Ik zie nu dat het inderdaad onder het kopje ‘fictie’ staat. Goddank zeg. Ik wil trouwens niet gemeen zijn of zo hoor, maar als ik zelf iets schrijf dat een ander niet aanspreekt wil ik het ook horen. Of als iets voor verbetering vatbaar is, en ik moet zelf ook nog heel veel leren. HEEEEEL VEEEEL.
Ik blijf je volgen op columnx hoor!

Geef een antwoord