Ploert

Ik denk aan de morgen en voorzie een leegte. Mijn hoofd gekneusd aan illusies, een laatste illusie minder. Ik geloof er niet meer in; in prinsen en prinsessen. Ik droeg mijn masker als een heer in pak en was een ploert voor mijn vrouw. Ik sloeg haar hersens in stukken en scheurde haar jurk in flarden. Ze was goed voor mij, dat wel, maar ik leerde d’r haar plek.

De ontwaking

“Ben je bijgekomen?” De stem kwam van veraf. Ik ging rechtop zitten. Vagelijk zag ik een schim van een jonge vrouw. “Mijn god, ben je eindelijk wakker?”, zei ze, terwijl ze zich over mijn bed boog. Ik deinsde terug. “Hoe wakker wil je me hebben?” Mijn stem klonk scherp en rasperig. Ze glimlachte en streelde me door mijn haar. Ik wist dat ik niet in de verdediging hoefde te gaan, en toch voelde ik de drang, zoals ik wel vaker heb. “Kom bij me liggen, en probeer eens een keer om niet in mijn hoofd te kijken”, zei ik, terwijl ik mijn hand op de hare plaatste. Een droevige lach verscheen rond haar mond. “Als jij belooft om wat vaker bij me te zijn”.

Rouw

Wezenloos staar ik voor me uit. Een wereld van tien jaar gevangen in slechts een handvol herinneringen. Ik struikel en val bij iedere stap die ik maak. Waarom blijf ik niet liggen? Waarom laat ik me niet vertrappen? Ik heb niets met de mensen om me heen. Ik ontleen nergens betekenis aan. Het enige dat nog waardevol voor me is zijn de voorwerpen, de mensen en de gedachten waar jij jezelf willoos bezit van hebt gemaakt. Maar je stem is dood en je ogen zijn leeg. Voorgoed en tijdloos in de koude, stille grond.

De dertiende slag

De klok slaat twaalf. En de dertiende slag laat eeuwig op zich wachten. Ik keer terug en begin bij een. Het leven is een in een telkens andere vorm gegoten herhaling. Ik klamp me vast aan iets dat grijpbaar is: wellicht de seconde wijzer.

Schuld

Iedere morgen ontwaak ik in dezelfde rauwe pijn. Ik neem een kijk in mijn verleden, en keer op mijn schreden weer terug. Ik kijk liever vooruit met een kans op een ontsnapping, dan dat ik hier blijf in het heden tussen wroeging en angst. Sinds de schuld lijkt mijn identiteit als water te zijn verdampt, en omhooggetrokken naar een duistere, benevelde lucht. Wanneer ik s’nachts na eindeloos gepeins eindelijk in slaap val, wordt mijn rust verstoord door onheilspellende dromen. Ik zie mezelf dwalen over kraterachtige vlaktes, en onsamenhangende fragmenten bestormen mijn hoofd. De schuld werkt perverterend. De schuld vreet me leeg. In de spiegel verdwijnt mijn gezicht in hoofdletters: SCHULD.