De slachters
Als gevallen engelen namen we plaats aan de bar. We sloegen dertig glazen stuk en tolden op onze krukken. Wankelend stond ik op en liep naar de rand van de afgrond. Beneden dansten de slachters in de catacomben van de hel. Een penetrante lucht drong omhoog.
Afscheid
Blauwe rook verliet de mond van de uitgerangeerde danseres en verspreidde zich tegen het vergeelde plafond. In haar ogen stonden de herinneringen aan vergane glorie, passend bij het vervallen, benevelde café. Ze zou willen dansen, maar haar benen voelden als oud ijzer. Ze was een van God’s vergeten schaakstukken. De koningin van het spel, verslagen door zijn pionnen.
De slaapwandelaar
Ik zink diep weg in de nacht. Het donker camoufleert mijn gedachten. Alles blijft verhuld. De klok tikt onregelmatig en ik voel een koude rilling. Het donker ademt, ik hoor het zelfs. In eenzame wanhoop luister ik naar de stilte van de nacht. “Er moet iemand zijn”, mompel ik, “het kan niet anders dan dat er iemand is”.
Wie is de baas?
Als klein kind verlangde ik al, net zoals andere kleine meisjes graag een pony wilden, naar een hond en het liefst een puppy. Maar mijn ouders waren anti huisdier, althans, zo leek het, want hoe ik ook zeurde en huilde; ik kreeg het niet voor elkaar om een beestje te krijgen. Zelfs een goudvis was al teveel gevraagd. Ik bedoel, een goudvis!; geen smerige haren, weinig voedsel nodig en het maakt zelfs niet het minste geluid.
