De Toeschouwer II – Een observatie ‘Between The Acts’

De wereld is vol onbekenden. De een lacht zonder reden en de ander huilt maar blijkt acteur te zijn. En dan is er de toeschouwer. De man op de achterste rij van de tribune die weigert te applaudiseren bij iedere punchline en zichzelf de kunst van het onzichtbaar maken heeft aangeleerd door simpelweg te zijn. Zijn droom bestaat uit een nihilistisch resumé van een een reis die zich liet kleuren door een psychedelicum waarvan de naam hem tot op heden onbekend is. Misschien dat het ‘leven’ heet. Maar zo snel als een samenvatting leest, zo snel is zijn droom weer voorbij.

Onrein

Met grote stappen baan ik mij een weg door de mensenmassa. Ieder op zijn beurt tracht de regen met zijn ogen te doen verdampen. ‘Wie rein wil zijn, volge de zon’ staat ergens op een half vergaan affiche te lezen, en ik vraag me af waar die zon zich verschuilt en of zij ook ooit op het idee zou kunnen komen om mij te volgen. ‘Waarom vergeet ik keer op keer dat ik een paraplu nodig heb in dit ellendige land van water en grijze luchten?’ tier ik in mezelf. De regen dringt diep door tot in mijn broekspijpen, en even voel ik de behoefte om mezelf ter plekke van al mijn buitenhuid te ontdoen. Mijn aversie van natte kleding kent geen grenzen. Het zorgt ervoor dat ik me vies voel.

Eva bovenop

Teleurgesteld raapte Eva een halfrotte appel van de grond en gooide hem achteloos weer weg. Het was begin juni en na de zoveelste strenge vorst was er wederom een hele oogst mislukt. De financiële vooruitzichten zagen er alles behalve gunstig uit. Weemoedig dacht Eva terug aan vroeger; het paradijs, Adam in al zijn jonge glorie, hun onbeschaamde naaktheid en al dat eeuwige groen temidden van al die kleuren.

Het meisje van gisteren

Bij twijfel, niet doen’ zei het meisje van gisteren terwijl ik aanstalten maakte om voor de tweede keer die nacht een fles wijn te openen.
‘Gelukkig is er van twijfel geen sprake’ antwoordde ik. ‘En dan nog, ik ben toch al dronken, morgen hoef ik niet te werken en bovendien: twee is mijn geluksnummer.’
‘Dit soort goedkope bocht geeft je uiteindelijk alleen maar hoofdpijn’ weerlegde ze. ‘Morgen heb je spijt. Om nog maar te zwijgen over de staat van je lever.’
Verbolgen keek ik haar aan. ‘Jij bent het meisje van gisteren, jij bent wel de laatste van wie ik verwacht zich druk te maken om morgen.’

Anemoon

[i]Ik luister, maar ze zegt niets. In plaats daarvan luistert ze naar mij. Naar de stilte die ik haar opleg, de woorden die ik haar ontneem. Soms lacht ze stilletjes om de ongemakkelijke situatie waarin ik haar heb geplaatst. En soms, heel soms, lach ik terug. Om het absurde van onze pijn, het onbegrijpelijke van onze keuzes. We kijken diep in elkaars ogen, verwachten een openbaring, maar het enige dat we zien zijn haren die met de seconde grijzer worden.[/i]