Vliegenplaag
Omgeven door vrolijke kindergezichtjes, sta ik midden op de tafel, onder de parasol. Alle kinderen hebben een groot bord voor hun neus. Ongeduldig houden ze hun mes en vork in de aanslag, klaar om aan te vallen. De deur gaat open en onder luid gejuich wordt een enorme stapel pannenkoeken naar buiten gedragen en naast mij neer gezet. Ik ben tot aan de rand toe gevuld met donkerbruine, mierzoete stroop, die de kinderen met lepels vol over hun pannenkoeken laten lopen. Ik heb een goed leven! Niemand die me lastig valt en uitsluitend gezelschap dat mij op waarde weet te schatten.
