Voor ik je nog verlies

Het was zondag, de eenentwintigste. Koude winterzon verwarmde mijn benen toen ik de voordeur opentrok en hem zag staan, nonchalant als altijd maar een streling voor het oog. Onze lichamen verloren zich in elkaar. Ik kon amper geloven dat ik hem een maand “zomaar” uit het oog verloren was.

Anders lief

[i]Ik weet ook wel dat ik nooit jouw vriendje zal zijn. [/i]

Ik heb zin om luid te schreeuwen –wat zeg ik: krijsen, brullen, ongelofelijk veel gillen- maar doe het niet. Glimlach, grijns, lach. Zoef mijn herinneringen in, twee zomers geleden, toen hij en ik nog zo close waren, dat het gevaarlijk begon te worden. De jaloezie. De angst. De onzekerheid. Maar vooral de liefde.

Ik ben een vreemdeling

Brossir:
We zijn nu al een goeie vijf maanden samen, Thora en ik. Ze is de vrouw van mijn leven, mijn fotomodel. Of ik het niet erg vond, dat ze soms over me schrijft in haar columns? vroeg ze me gisteren. Nee, maar deze keer is het aan mij om geschiedenis te schrijven.

Papa en mama herenigd

“Die durft toch wel weer” en “Wat denkt die stomme eikel wel?”. Voor vandaag heb ik mijn portie armzalige medemensergernis weer achter de rug. Persoon in kwestie is Vanessa –die er de laatste tijd bovendien ‘nogal’ belabberd bijloopt. Aan Ella verklaarde ze deze week nog openlijk –en en plein public- dat ze “zich zo raar voelt”. Guess waarom “ze zich zo raar voelt” –ik geef zelf het antwoord: Omdat Cirgil het laat afweten, niet meer zo frequent opduikt als vroeger en ze hem toch zó mist. Pittig detail: Vanessa heeft nooit iets meer dan puberale affectie voor Cirgil gevoelt in dat kwistig komkommerhart van haar.