Alibi

Zondagavond. Een lange luie avond strekt zich voor ons uit. We gooien nog wat extra hout op de kachel en nestelen ons op de bank. De DVD die al een tijdje ligt te wachten komt nu aan de beurt. Vriend en ik hebben niet dezelfde filmsmaak, maar omdat hij laatst zo lief was om naar een Sylviafilm te gaan, wordt het vanavond zijn mannenfilm. Bloed en knokken dus.

Boekenhuid

Met mijn linkerarm omklem ik de klamme nek van de man die ik twintig minuten geleden pas voor het eerst in mijn leven zag. De man die rijk is maar geen kluis heeft. Geen kluis, geen geld. We hadden hier niet moeten zijn, maar we zijn er. Zijn vastgebonden voeten trillen, de tape op zijn mond kraakt. Dick, die het hele plan van de inbraak heeft verzonnen en naar wie ik nooit had moeten luisteren, kijkt me aan. Ongetwijfeld met zijn perverse gedachten bij de tienerdochter die we boven hebben vastgebonden aan haar bed. In afwachting van haar lot, net als haar broer in de kelder en de moeder in de andere slaapkamer.

Kruip-door-sluip-door

– Kijk eens wat ik gisteren bij het knikkeren heb gewonnen, Paul.
– Jappenbolkers! Die heb ik nog nooit gezien!
– Hier, je mag ze wel even vasthouden.
Ze pakt zijn hand om de witte knikkers erin te leggen. Expres houdt hij zijn vuist dicht. Hij kijkt hoe haar vingers zijn hand proberen open te peuteren. Een tinteling trekt door zijn arm, over zijn rug.

Kroongetuige

Ellen is dik. Dat heb ik met eigen ogen gezien, want ik heb op haar kamer geslapen. En ze slaapt naakt. Terwijl ze door de ruimte loopt kijk ik vanaf mijn slaapmatje op de grond naar haar omhoog. Ze lijkt wel van een andere planeet. Het dik zijn voorbij. Het vrouwelijke is niet te zien, onherkenbaar door al het andere.