Met een beklemmend gevoel op mijn borst, en een raar gevoel in mijn buik stap ik op mijn fiets. Met trillende benen draai ik de trappers rond, ook mijn armen zijn niet vast meer. Ik slinger behoorlijk. In mijn mond drijven nog wat resten tandpasta: ik ga naar de tandarts, voor de jaarlijkse controle. Bij de praktijk aangekomen zet ik mijn fiets in het fietsenrek, met trillende handen trek ik de sleutel uit het slot en loopt naar de deur. Naast de deur zijn twee bellen, bij de bovenste staat: ‘privé’ en bij de onderste ‘praktijk.’ Ik besluit op de onderste knop te duwen, met een zoemend geluid zwaait de deur vriendelijk en uitnodigend open. Ik loop de wachtkamer binnen, waar een tiental zwijgende, lezende mensen zitten. Ze kijken even op als ik binnenkom en mompelen in een koor iets onverstaanbaars dat als groet moet doorgaan. Ik mompelt wat terug en neem plaats tussen een dikke mevrouw en oude heer. Ik pak van tafel een van de vele tijdschriften. En gaat deze ‘lezen’. De letters dansen door elkaar, af en toe sla ik een bladzijde om. De oude heer naast miij klappert voordurend met zijn kunstgebit. De dikke vrouw heeft het blijkbaar benauwd, haar ademhaling gaat zwaar en regelmatig staakt ze een diepe zucht. Ik probeer weer wat te lezen, maar dit word ruw vertoord door een hard brommend, slijpend geluid achter ‘de witte deur.’ Onwillekeurig krimp ik inelkaar, ik meen zelfs bovenuit het geboor, gekreun te horen. Daarna onderneem ik de zoveelste poging om wat te oncijferen van de dansende letters, als ik merk dat een pinnige oude dame tegenover mij voortdurend naar mij zit te staren. Ze kijkt van mij naar het tijdschrift en steeds weer terug. Ze kijkt of ik gestoord ben. Dan bemerk ik dat ik het tijdschrift op zijn kop heb. Snel draai ik het om en probeert vriendelijk te lachen naar de dame, maar die is allang weer verdiept in ‘haar’ blad. Ondertussen gaat de ‘witte deur’open. Een jonge man wankelt naar buiten, zijn handen handen houden krampachtig zijn kaak beet, alsof deze elk ogenblik uit elkaar kan vallen. De ‘lezende’ mensen kijken schichtig op. Een man verslikt zich spontaan. Dan verschijnt er in de deur opening een man gehuld in een witte jas: de tandarts, zijn ogen lijken doelbewust het volgende slachtoffer uit te kiezen. ‘Meneer de Wit’, u mag meekomen. De oude man naast mij staat op en loopt zó langzaam alsof hij met zijn moordenaar meeloopt. Dan is het weer stil, de hoofden buigen richting de vloer, er word weer ‘gelezen’.De spanning is om te snijden. De tijd verstrijkt, zo nu en dan komt er iemand binnen.

De witte deur gaat weer open, daar staat hij dan, dreigend en streng. Met een krakerige stem wordt mijn naam geroepen. Als in een droom volg ik de man. De meest vreemde gedachten razen door mijn hoofd: ‘zal zó een koe of varken zich voelen als het geslacht wordt?’ Ik kom een ruimte binnen waar een aparte geur hangt: een beetje ‘ziekenhuisachtig’. Alles is wit. Achter een tafel zit een vrouw, ook in het wit, die mij vriendelijk groet. ‘Neemt u plaats’, zegt de krakerige stem. Met een zucht ga ik zitten, ik kijk willekeurig naar het instrumententafeltje naast mij, ik zie dingen liggen die ik in een riddermuseum heb gezien, ik zie vergelijkingen van marteltuigen die ik in enge films heb gezien… Ik griezel. Dan zakt plotseling de stoel omlaag en word ik verblind door een fel licht. ‘Doet uw mond maar open’… ‘Ietsje wijder als het kan.’… ”Ja dank u’. Ik krimp inelkaar als er een ijzer gevaarte mijn mond binnen dringt. Ik probeer aan iets leuks te denken, maar dat lukt niet. Dan vraagt de tandarts wat ik in het dagelijks leven doe. ‘Typisch tandartsen’, denkt ik, praten met je mond vol is onbeleefd, laat staan dit. Tegen een blinde zeggen: moet je zien, of tegen een dove: moet je horen, is even asociaal. ‘Uglhfsst’, zeg ik, de tandarts knikt. Ik ben verbaast, hij heeft mij begrepen! Hoe bestaat het. Krampachtig lig ik in de stoel, mijn handen zitten als vastgeklampt in elkaar. De minuten lijken uren. Dan gaat opeens de stoel omlaag. ‘Het is gebeurd’ hoor ik in de verte. Versuft kijk ik de tandarts aan. ‘U mag uit de stoel komen, hoor! Maak even een afspraak voor volgend jaar met de assistente. Ik knik afwezig.

Half versuft loop ik weg. Ik loop door de wachtkamer naar buiten. De ‘lezende’ mensen kijken als op een commando op. Ik mompel een groet. Even later zit ik op de fiets. Ik denk nu al aan volgend jaar…


8 reacties

Mosje · 22 september 2006 op 09:57

Er zitten een paar t’s te veel in je stukje. Die moeten verwijderd. Wil je verdoofd worden?
😛

ikbenhetbeu · 22 september 2006 op 10:42

mmmm erg herkenbaar, zou het verstaan van mensen met hun mond vol ook op de tandarsten opleiding worden gegeven?

Jv · 22 september 2006 op 11:32

Hahaha Mosje!

Inderdaad! Meestal kijk ik inderdaad niet echt naar de spelling.

Verdoof me maar!
😛

Ma3anne · 22 september 2006 op 12:26

Zo saai als de titel is het hele verslag eigenlijk. Had je een sterker verhaal van kunnen maken, denk ik. Op deze manier is het een verhaaltje van dertien in een dozijn.

Gewoon door blijven oefenen!;-)

Ann · 22 september 2006 op 18:00

Verrasend genoeg vind ik naar de tandarts gaan eigelijk helemaal niet eng! 🙂

champagne · 22 september 2006 op 19:29

Nou vraag ik me nog steeds afwat je nou eigenlijk doet in het dagelijkse leven? (ik ben geen tandarts)

Het is een herkenbaar stuk, maar wat mij betreft had het korter en bondiger gekund.

sally · 22 september 2006 op 22:16

Beetje saai inderdaad. Niet echt interessant voor de lezer en erg lang.

groet
Sally

Anne · 24 september 2006 op 10:46

Mijn indruk is dat de saaiheid te wijten is nou net aan de lengte, en aan het teveel uitleggen. Teveel mensen in de wachtkamer ook; als je er een uitkiest die je meer gestalte geeft werkt dat sterker. Want het zou met een paar ingrepen een beter verhaal worden.
Groet van Anne.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder