De vissers van Paternoster

Paternoster is een lieflijk plaatsje op het Westkustschiereiland in Zuid-Afrika, zo’n 150 kilometer ten noorden van Kaapstad. Een plek, die geliefd is bij Kaapse weekendtoeristen die er in alle rust een paar dagen aan zee willen doorbrengen. Dat Paternoster “Onze vader” betekent, is voor de meeste Zuidafrikaners een onbekend gebleven geheim. De naam is een verbastering van het Portugese “Padre Nosso”, volgens de overlevering vanwege de “onzelievevadergebeden” die de Portugese schipbreukelingen die op de punt van het schiereiland waren gestrand, zouden hebben gepreveld.

Doppies

Bruinrood zand, tot zover het oog reikt, soms begroeid met duinriet en ghagras, hier en daar wat gabbabossies, doringkapokbossies, sandganna’s en koekemakranka’s. En af en toe een verdwaalde kameeldoringboom, zo uitgedroogd ,dat het lijkt alsof de minste windvlaag de bast, of eigenlijk de gehele stam, zo zou kunnen verpulveren. Niet voor niets is kameeldoringhout het beste hout om een “braaivuurtjie” mee te stoken. Het brandt langer dan rooikrans- of sekelboshout en het levert de beste kolen op. Onder de grond woekert zijn fijn vertakte wortelstelsel tot meters diep, op zoek naar spaarzame verscholen waterreservoirs. De lucht is helderblauw met hier en daar een verdwaald schapenwolkje, waarvan je weet dat het zal oplossen, lang voordat het de kans krijgt om zich als regenbui vermomd, richting aarde te storten.

Sterk spul

Ik zit languit, onderuit gezakt in mijn blauw, opklapbaar strandstoeltje. Een peuk in mijn rechter-, en een fles, te dure, goedkope wijn in mijn linkerhand. Een warm gevoel van welzijn stroomt door mijn lichaam, eindelijk!

De eerste dag

Het grauwe donkerbruine interieur van Heathrows Terminal 4 is troosteloos. Net zo troosteloos als de grauwgrijze Britse winterlucht erbuiten. Trouwens ook net zo troosteloos als het grauwgrijze Engelse wolkendek in de zomer, maar dit terzijde. De doorvoerhaven naar intercontinentale bestemmingen nodigt uit om er zo snel mogelijk de pleiterik te maken.

Winter

Ik heb een hekel aan de winter. Zacht uitgedrukt. Ik hou niet van donker, ik haat kou, en sneeuw en ijs kunnen mij gestolen worden. Ik kan schaatsen noch skiёn en toen vroeger mijn vriendjes in de straat in de weer waren een paar op elkaar gestapelde ijsballen te versieren met voor huisverwarming bedoelde kolen, een ontheiligde winterpeen, en een door de buurtpedofiel geheel belangeloos (nou ja) ter beschikking gestelde pijp en hoge hoed, zat ik lekker binnen met lego te spelen. Of zoiets.