Ik zit languit, onderuit gezakt in mijn blauw, opklapbaar strandstoeltje. Een peuk in mijn rechter-, en een fles, te dure, goedkope wijn in mijn linkerhand. Een warm gevoel van welzijn stroomt door mijn lichaam, eindelijk! We zijn ongeveer vierentwintig uur geleden vertrokken vanuit Nederland en nu zijn we er. Gearriveerd op onze eerste overnachtingsplaats van onze bonnefooi trip door Italië. Waar we zijn weten we niet precies, maar we zijn er en dat telt! Via de autobahn door Duitsland, de alpen in Zwitserland, de maandagochtendspits op de rondweg van Milaan en een verdwaalde route rondom het Gardameer, hebben we nu eindelijk een plekje gevonden om te overnachten. Deze vervallen camping, op de grens van Venetië, is alles wat we nog konden krijgen in deze regio. Maar het is zo, goed zo, perfect zelfs!

De tenten zijn opgezet en ik besluit te gaan onderzoeken of het supermarktje op de camping nog voorradig is met bier en of wijn. Een bijna euforisch gevoel overvalt me, alsof ik al weken opzoek ben naar enige vorm van alcoholische versnaperingen, op het moment dat ik de drankautomaat zie. Het apparaat verkeert in dezelfde staat als de camping, vervallen en vrijwel ongebruikt, maar is daardoor niet minder praktisch. Gretig onderzoek ik de inhoud van het verroeste apparaat, cola, sinas, sprite, breda, choco…
Breda?
Met fascinatie inspecteer ik het blikje met de herkenbare naam.
“Imported from Holland”.
“Royal beer”.
Een sprankje hoop leeft op.
Een tweede sprank introduceert zich op het moment dat ik de vraagprijs zie staan op het labeltje naast het euroteken, vijftig cent per blik, deze camping is beter dan ik had gedacht! Ik haal al mijn vijftig cent muntstukken uit mijn zwart lederen portemonnee, zes stuks, en werp deze in de machine, zes doffe klappen volgen.
Onhandig loop ik, met de zes blikken in mijn hand, richting de ingang van het campingwinkeltje. Een oude, lelijke, onsympathiek ogende, Italiaanse vrouw kijkt geïrriteerd op.
“Ola”, zeg ik zo spontaan mogelijk met een licht opgezet on-Nederlands accent. On-Nederlands, omdat ik dat gebrabbel geen buitenlands, laat staan Italiaans, kan noemen.
Ik ben niet zo van de vreemde talen, ik praat met handen en voeten en als het moet kan ik goed uit de voeten met Engels, maar ik doe geen moeite om een taal te spreken waarvan ik geen idee heb wat ik zeg en waarschijnlijk de mensen, die deze taal wel spreken, ook niet.
“…”, zwijgt de vrouw.
Ze is aan het opruimen en waarschijnlijk vindt ze dat ik daarbij in de weg loop. Chagrijn! Op het bordje boven de deur staat dat de winkel om tien uur gaat sluiten, nog drie minuten mevrouw, ik ben nog drie minuten koning!
Ik loop richting het wijnrek en pak, willekeurig, twee flessen witte wijn en spoed me vervolgens richting de kassa om de feeks haar geld te geven. De vrouw kijkt opvallend vriendelijker dan zojuist, het lijkt alsof deze aankoop haar dag goed gaat maken. Ze begint te tikken op de toetsen van de kassa en op het zwarte schermpje verschijnen de cijfers, tweeëntwintig, komma, nul, nul. Ik slik, tweeëntwintig euro voor twee flessen, goedkope, camping wijn! Resoluut besluit ik de wijn toch te nemen ter compensatie van het goedkope bier, daarnaast heb ik ook totaal geen zin in een confrontatie met deze heks, in welke zin dan ook. Elk ongemak is op dit moment gewoonweg teveel.
“A Bag?”, gebaar ik met mijn hoofd richting de flessen en de blikjes, die onhandig in mijn armen bungelen.
“Si, Si, …”, zegt de vrouw met een brede glimlach, waarbij haar tandarme gebit mijn netvlies besmeurd.
“Ja, lach maar, elf euro per fles. Dit kan maar beter goede wijn zijn!”.

“Ik ga slapen, ik ben kapot en voel hem nu al hangen!”, zegt Jasper terwijl hij zijn tweede blik Breda leegdrinkt en ritst zijn tweepersoons, half bezette, iglotentje open, kruipt erin en weg is hij.
“Wat doe jij?”, vraagt Kenny gebarend naar de laatste onaangebroken fles wijn.
“Ik zit nog goed”, zeg ik tevreden, doelend op het feit dat Kenny en Jasper beiden geen stoel bij zich hebben, waardoor ik de enige ben die niet direct op het kiezelige, harde, dun bezaaide campingterrein hoeft te zitten.
Ik kijk naar de halfvolle fles in mijn hand.
“Trek jij die maar open, dan drink ik deze wel leeg”.
De camping lijkt inmiddels een stuk groter dan voorheen en is toch al aardig vol geraakt in de laatste uurtjes. Waarschijnlijk zijn het gestrande toeristen, net als wij. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat dit iemands reisdoel kan zijn.
“Wat doen we morgen eigenlijk?”, vraag ik, terwijl Kenny onhandig met een mes de kurk uit de fles probeert te krikken. Het is een hele opgave, maar aangezien het resultaat bij de eerste fles, blijkt het mogelijk.
“Weet ik niet, misschien even naar Venetië, even rondkijken en dan zien we wel”.
“O, …, oké”, zeg ik ongeïnteresseerd.
Het maakt me ook allemaal niet zoveel uit, ik geniet toch wel.

“ik ga even pissen”, zeg ik terwijl ik overeind kom uit mijn comfortabele stoel.
Mijn hoofd voelt zwaar, waarschijnlijk van de alcohol in combinatie met de vermoeidheid, die er, gedurende de afgelopen reis, is ingeslopen. Ik drink de laatste slok en gooi de fles weg, richting het hoopje afval waar onder andere zes lege blikjes bier liggen.
Ik kijk rond over de donkere camping en constateer in de verte een licht. Dat zullen de doucheruimtes wel zijn en waarschijnlijk is daar ook een toilet in de buurt. Ik strompel richting het verlichte gebouwtje dat lijkt op een over verlichte, witte bouwkeet. Mijn voeten verzetten zich in diverse, afwijkende richtingen, anders dan dat ik zou willen. Dit moet er belachelijk uitzien en ik besluit mijn schaamte weg te lachen en rustig, nonchalant door te zwalken.
Vanuit mijn linkerooghoek zie ik een aantal kaarsen branden, omringt door drie personen. Ik draai mijn hoofd en herstel mijn zicht. Drie meiden kijken me lachend aan en mompelen onverstaanbare woordjes.
“Hoi”, zeg ik terwijl mijn benen me, onbewust, richting dit vrouwelijke gezelschap vervoeren.
De meiden zitten aan een stevige, houten picknicktafel te eten en ik besluit, of beter gezegd mijn lichaam besluit om erbij te gaan zitten. Ik schuif aan naast een meisje met lang, donkerbruin haar. Ze lacht lief en schuift gemoedelijk een stukje op.
“Wat zijn jullie aan het doen?”, vraag ik terwijl ik de tafel inspecteer.
De tafel is bedekt met glazen, een aangebroken stokbrood, borden, messen, sauzen, …
“Hebben jullie geen frikandellen?”, vraag ik gekscherend.
De meiden kijken elkaar verbaasd aan, alsof ze zich inderdaad afvragen waarom ze zichzelf niet hebben voorzien van deze oer-Hollandse worst.
“Lekker toch frikandellen? Wat eten jullie dan?”, vraag ik direct aan het lief lachende meisje, dat ingetogen naast me op het bankje zit.
Ze kijkt me wederom begeerlijk aan en pakt mijn hand vast en stapt op uit het bankje.
“Kom!”, gebaart ze en trekt mijn hand in haar richting, waardoor mijn zwaartepunt zich verplaatst tot het punt naast de bank. Ik val met een smak op de kiezelige ondergrond en kruip snel weer overeind, onopvallend, alsof er niks gebeurt is. Wederom trekt het meisje aan mijn hand, ze wil dat ik ergens met haar naar toe ga, ergens naar toe om te zoenen waarschijnlijk.
“Nee, nee, ik moet pissen en Kenny zit alleen. Nee, ik ga niet mee!”.
Met een ruk probeer ik mijn arm los te trekken, waardoor het meisje bijna tegen me aan valt. Snel wrik ik mijn hand los en loop in de richting van het toilet. Op de achtergrond hoor ik nog wat gemompel van het drietal, maar besluit hier verder geen aandacht meer aan te schenken. Schaamteloos zijn ze, rare meiden!

In de, met spierwitte tegels bekleedde, doucheruimte hangt een onaangename, smerige, verlaten sfeer, alsof je in een, wegens besmettingsgevaar gesloten, bacteriële kweekvijver terecht bent gekomen. Er heersen muggenplagen rondom de tl lampen en het omgevingsgeluid bestaat uit zoemende geluiden van gaslampen, muggen en Italiaanse krekels.
Ik ontknoop mijn spijkerbroek en druk mijn blaas leeg in de smerige toiletpot, onvoorzien van bril en deksel. Ik knijp mijn ogen dicht en laat mijn lichaam ontspannen. Door mijn zwalkende knieën lukt het me niet om recht in de pot te plassen, niet dat ik hier anders wel veel moeite voor zou doen, aangezien de vloeistof erlangs waarschijnlijk tot dezelfde klasse behoord als de vloeistof die ik nu aan het lozen ben.
Ik schiet wakker uit mijn roes van gedachten en loop richting de grote spiegel, welke zich precies in het midden van de ruimte bevindt. Het spiegelbeeld toont mijn evenbeeld in een wittere, minder charmante uitvoering. Tot mijn verbazing zie ik dat mijn broek nog is ontknoopt en mijn lid nog steeds buitenboord hangt. Ontgoocheld knoop ik mijn broek dicht en verlaat het verlaten gebouw.
Waar ben ik nu weer terecht gekomen? Alles is donker, geen lichtje te zien, duisternis. Het lijkt of de camping is verdwenen en alles wat er nog over is, is niks. Ik steek mijn hand uit en hou deze, op armlengte voor mijn ogen. Niks, geen hand voor ogen! Ik knijp mijn ogen samen om mijn beeld te verscherpen en besluit tastend wat stappen vooruit te doen. Met mijn linkervingertoppen voel ik een warm, hard en puntig oppervlak, een muur waarschijnlijk. Hoe komt die muur hier nou? Het lijkt een soort schutting en is verwilderd met hier en daar wat wildgroei van planten en onkruid. Zonder precieze redenen besluit ik om over de muur te klimmen en kom terecht in een open verlaten veld. Het lijkt wel een weiland, verlaten door het vee. Verlaten omdat het een puinhoop is, een wildernis.
“Hallo?”, fluister ik zachtjes.
“Kenny?”, roep ik, beheerst iets harder.
“Hallo!”.

“Hello? Hello?”, klinkt een zachte vrouwenstem vanuit een ander gedeelte van de muur.
Ik loop, met mijn oren gespitst, richting het gedeelte van de muur waar het geluid vandaan komt en klim, via een oude pallet, de muur op. Een opluchting stemt me op het moment dat ik een veld zie met allerlei verschillende tentjes, de camping, ik heb het gevonden!
Vooraan bij de muur staat een vrouw klaar om me op te vangen. Ik spring van de muur en val, door mijn gebrek aan balans, meteen tegen de grond. De vrouw lacht.
“Are you okay?”.
“What where you doing there?”, vraagt ze met een vreemd Engels accent.
“I don’t know. Where am I?”, vraag ik met een binnensmonds, bijna onverstaanbare Engels, Nederlands accentje.
“In Venice. Who are you?”.
Ik kijk verbaasd rond en herken geen enkel deel van deze camping. Is dit wel dezelfde camping, of ben ik ergens anders terecht gekomen.
“Who are you?”, vraag ik terwijl mijn ogen de vrouw van top tot teen inspecteren.
“I am Sarah. I’m from Norway and this is my boyfriend …”, zegt ze wijzend naar een onbekende man zittend op een stoeltje, in het donker, een paar meter verderop.
Ik kijk naar de richting waar haar vinger heen wijst, maar zie niks. Het is te donker en door de wazige blik die mij vanavond parten speelt, ben ik niet echt scherp. Wat ik wel zie is dat Sarah ongeveer eind twintig, begin dertig jaren oud is, lang blond haar heeft, een lang slank postuur en twee borsten die eruit knallen. Vooral in dit topje! Ik hoor haar nog wat dingen zeggen, maar ik ben afgeleid door haar voorkomen.
“Wat?”, zeg ik verontschuldigend, terwijl ik nog steeds schaamteloos naar haar borsten staar.
“I am a goo goo dancer”, zegt ze plotseling.
Waarom ze de drang voelt om dat te melden weet ik niet, maar ik kijk op en zie nu voor het eerst duidelijk haar gezicht, ze lacht. Ik sta nog steeds te schommelen op mijn benen en plotseling reikt mijn rechterhand naar haar bovenlichaam. Het is alsof mijn lichaam totaal is losgekoppeld van mijn verstand. Hier sta ik dan op een onbekende camping, met mijn hand op de borst van een onbekende vrouw, zacht, rond, prompt. Ik denk dat ik aan het dromen ben.
“Can you show them?”, vraag ik onbeschaamd, testend met een kleine glimlach.
“No, not when my friend is here”, zegt ze en kijkt naar haar vriend, welke op zijn beurt terugkijkt met een vrij ongeïnteresseerde blik.
Ik was hem alweer vergeten en trek snel mijn hand terug van haar tiet.
“He doesn’t mind”, zegt ze lachend, alsof ze blij is dat ik zo gefascineerd ben door haar lichaam en graag een hand op haar borst voelt.
“You can come with me to my tent”, zeg ik resoluut alsof ik zomaar iedereen uitnodig om mee te gaan naar mijn tent. Het is nota bene in al die jaren nog nooit voorgekomen dat ik op vakantie een liefje, lees one night stand, heb gehad.
“No”, zegt ze kortaf.
“Then not”, zeg ik met mijn beste Engels op dat moment.
“Have you seen Kenny?”, vraag ik alsof zij überhaupt weet wie Kenny is.
“Who…? Oh, Superman?”, zegt ze na enige aarzeling.
“Superman?”, vraag ik verbaasd.
“Yes, that guy with the superman shirt?”.
“Ja!”.
“There he is”, zegt ze wijzend naar een tent, drie tenten verderop, op ongeveer tien meter afstand.
“Thanks”.

Starend naar de grond loop ik richting mijn doel. De kinderkopjes onder mijn voeten verplaatsen zich in tegengestelde richting. Ik zie Kenny mijn kant opkomen en steek van blijdschap mijn armen uit om hem te begroeten.
“Ik was jullie kwijt!”, zeg ik opgelucht.
“Waar is Feb?”, vraag ik resoluut aangezien ik had afgesproken bij hem te blijven slapen en ik hem al een tijdje niet had gezien.
“Feb? Ik denk dat hij thuis is?”, zegt Kenny verbaasd alsof het hem niks kan schelen.
Volgens mij zou Kenny ook blijven slapen.
“Wat een eikel, we zouden daar toch blijven slapen? Waar moeten we nu dan slapen”, zeg ik teleurgesteld en geschaad in mijn vertrouwen.
Ik loop Kenny blind achterna, nog steeds starend naar de klinkers onder mij. We gaan richting de kiosk op het marktplein, wetende dat we eigenlijk de andere kant op moeten.
“Huh, hoe komt onze tent hier op de markt?”, vraag ik Kenny verbaasd.
“Ja, ik dacht ik neem de tent mee hierheen. Je slaapzak en spullen liggen er al in. Je kan zo gaan slapen!”, zegt Kenny opgewekt.
Even voel ik me de gelukkigste man van de wereld en bedank Kenny duizendmaal voor zijn hulp.
“Dank je wel man!”.
Snel kruip ik in de tent en sluit mijn ogen.

Een zweetdruppel kriebelt mijn voorhoofd en ontwaakt me uit mijn slaap. De brandende zon staat vol op de tent en ik voel de hitte, het nylon doordringen.
“Goedemorgen”, zegt Kenny zittende op mijn blauw, opklapbaar strandstoeltje.
“Morgen”, zeg ik met een ontzettende uitgedroogde ochtendstem.
Mijn hoofd voelt zwaar en pijnlijk en het scherpe zonlicht maakt het geheel er niet beter op.
“Man, wat heb ik wazig gedroomd”, zeg ik tegen Kenny die behulpzaam een fles water naar me toe gooit.
“Ja, dat zal best! Jij was wel erg zat gisteren!”, zegt Kenny lachend.
“Is dat zo?”, vraag ik bevestigend.
“Ja, jij staat op uit je stoel en zegt dat je gaat pissen. Ik zie je nog die kant op strompelen en even later kijk ik nog een keer en dan zit je ineens aan tafel bij die twee Franse meisje hierlangs. Je bent alleen maar aan het roepen, frikandellen dit, frikandellen dat. Eén van die meisjes is het zat en probeert jou weg te trekken, vervolgens trek jij dat meisje tegen de grond aan en wil je haar meenemen ergens naar toe”.
Ik kijk Kenny verbaasd aan, vol ongeloof luister ik verder naar zijn versie van de beruchte eerste avond.
“Daarna ben ik maar even naar die meisjes gelopen om excuses aan te bieden”.
Ik steek mijn kop uit de tent en kijk rechts van ons naar de twee meisjes die op een vrij instabiele, plastieken, tafel hun ontbijt aan het voorbereiden zijn.
“Ik dacht dat het er drie waren”, zeg ik verward.
“Ik heb je daarna een half uur niet gezien. Ik ben op den duur maar naar de wc gelopen om te kijken of je er was, maar daar was je ook niet. Toen zag ik dat er aan de andere kant van het gebouwtje ook nog een uitgang was, maar die uitgang loopt dood, daar staat een grote muur voor. Dus, ik weet niet waar je was!”.
“Ja, tot een half uur later. Toen stond je hierachter met de tiet van de achterbuurvrouw in je hand!”, zegt Kenny lachend.
“O ja, daarna kom je naar mij toe en begin je over Feb te zeuren, dat je bij hem zou slapen en je dacht dat je thuis op het marktplein was. En uiteindelijk liet ik je onze tent zien en toen was je ineens superblij”.
“Nee, een rare jongen ben jij!”.
“Ik dacht dat ik dat allemaal gedroomd had”, zeg ik verbaasd en verward tegelijk.
“Sterk spul hè, die camping wijn!”, roept Kenny lachend wanneer hij de lege flessen en Breda blikjes in een vuilniszak gooit.


5 reacties

Mien · 14 maart 2012 op 13:34

Sorry hoor, maar iest te lang dit sterk spul.
Ik ben bij het tweede glaasje afgehaakt.

Mien

DACS1973 · 14 maart 2012 op 13:39

Inderdaad erg aan de lange kant. Misschien had je er beter een vervolgverhaal van kunnen maken? Wat is te dure goedkope wijn precies? Zat het toevallig ook in een te kleine grote fles?

Meralixe · 14 maart 2012 op 16:07

Inderdaad te lang maar de tekst nodigt ook niet uit tot verder lezen.
Te eentonig , niets nieuwsgierig makend, futloos.

:pint:

lisa-marie · 15 maart 2012 op 09:17

te veel in een keer houd mijn aandacht niet vast

Boukje · 15 maart 2012 op 09:31

Toen ik halverwege was dacht ik, het zal wel…
Het is op zich een leuk verhaal maar het is toch best lastig om de spanning er een beetje in te houden.

Geef een antwoord