Maandag, 5 december 2011, half vier. Het perron van de halte Zoetermeer Voorweg is nagenoeg verlaten. De rust bevalt me wel zo. Even geen gezeur aan m’n hoofd. Mijn blik vangt een in de rails gereden mus. Hoeveel pech kun je hebben als mus? Of was het geen pech? Misschien was het beestje wel levensmoe?

Mijn gemijmer wordt ruw onderbroken door twee vrouwen die onder het voeren van een luide en oninteressante dialoog het perron opwaggelen. Een jongetje van een jaar of 7 met een dik beglaasd brilletje en een buitenboordbeugeltje loopt voor hen uit. De jongste van de twee vrouwen is duidelijk de moeder van het jochie. Nors en ongenuanceerd dirigeert ze haar zoontje bij de perronrand vandaan. ‘Defie, niet bè ut spoâh, kom hieâh achteâhrlèk!’
Davey! Natuurlijk! Geheel in de lijn der verwachting heeft ook dit kind, als gevolg van de deformatie waaraan dit slag moeder onderhevig is, een prachtige Engelse naam meegekregen. Had ze maar wat beter in het wiegje gekeken en het onooglijk schepseltje genoemd naar hoe het er uit zag. Maar dat terzijde.

De oudste van de ‘dames’, ik schat haar de oma van het stel, draagt een Wibra-kuitlegging met lepravlekmotief. Onder de witte kuiten houden twee gouden pumps het geheel amper staande. Ze onderbreekt de penetrante dialoog om een mobieltje aan haar oor te zetten. ‘Hè?!’ gilt ze om de haverklap in het hoorntje. ‘Hè?!’ Waarom roepen mobiel telefonerende mensen toch zo vaak ‘Hè’?
De moeder van Davey haalt een duim langs haar tong en veegt vervolgens met haar andere duim een vlek van het voorhoofd van het jongetje. Davey trekt geïrriteerd zijn hoofd terug en duwt haar arm opzij. ‘Zeg mâh tegen die vetklep dat hè jâh morrege op tèd weiâh hieâh heef’, toetert ze in Davey’s oor. Geobsedeerd door het schouwspel schrik ik een beetje van de Randstadrail die rustig de halte binnenrijdt. Oma kapt het telefoongesprek abrupt af: ‘O ja joh, dan moetuh hun beteâh luisteâhren!’ Klik.

Davey wordt door oma’s met goud beringde hand zachtjes het voertuig ingeduwd. ‘Dag liefie, tot morrege’. Ik volg Davey en neem mij voor om in zijn buurt te blijven. In ieder geval tot aan de halte waar hij opnieuw ontboden wordt. Het automatisme waarmee Davey plaatsneemt heeft iets aandoenlijks. Routinematig schuift hij zijn Spiderman-rugtas langs de rugleuning richting het raam. Moeder en grootmoeder bonken op het raam alsof hun telg wordt afgevoerd om nooit meer weer te keren. Een beetje laconiek zwaait het jongetje terug. ‘Dag liefie’ ziet hij zijn oma, aan de andere kant van het raam verdwijnend, nog playbacken.

Uit zijn tas graait het jongetje een chocoladeletter van een pond. Nadat hij het uit de verpakking heeft getrokken hapt hij onhandig, gehinderd door zijn beugel, de D tot een C. Al kauwend steekt hij het terug in het cellofaantje, waarna het weer verdwijnt in zijn tas.

Bij de volgende stop stappen er drie Sinterklazen en twee Zwarte Pieten aan de kant van Davey in. Bij de achterste ingang enteren er tevens drie HTM-controleurs. Nadat de Sinterklazen hun staf op het binnenpad hebben gekletterd, nemen twee van de drie Sinterklazen plaats tegenover Davey. Ze zijn alles behalve nuchter.
Eén Sint heeft een gedoofde pretsigaret in zijn mondhoek hangen en de andere een blik bier in zijn handen. Deze laatste begint Davey, met z’n kin op de borst, schaamteloos aan te kijken. Alsof hij duidelijk wil maken dat zijn taak er voor die dag op zit. Hij kan geen kind meer zien en kijkt daarom maar laveloos dwars door Davey heen. Totdat hij besluit om voorover te gaan hangen.
Met de onderarmen op zijn gespreide, in spijkerbroek omhulde, knieën haalt hij zijn neus op en kwat een lang stuk witsel tussen zijn scheefhangend watsel naar de grond. In de ban van de ontstane sliert staart Davey met ogen zo groot als kerstballen naar de onttroonde goedheiligman tegenover hem.

Davey schrikt van een zware bulderstem die hem schuin van achteren toeroept: ‘Zo! En van wie ben jij er eentje!’ Het is een controleur die semi-lollig om zich heen kijkt. Snel grist Davey een mapje uit de tas en overhandigt trots zijn vervoersbewijs. De controleur doet zijn werk, geeft het ventje zijn chipkaart terug en schenkt hem geen verdere aandacht. ‘Lul!’ denk ik, terwijl mijn ogen het bierblik en de joint scannen. Je kunt tegenwoordig met een mes in je rug het OV instappen zonder dat er vragen worden gesteld door het personeel.

Nog voor het binnenrijden van Den Haag Centraal staat Davey bij de deur. Eén Zwarte Piet staat half over hem heen gehangen. Om de tijd te doden grijpt de gewezen knecht een graai uit zijn Komo-zak en strooit de vangst over het hoofd van Davey uit. ‘Hé, joh!’, kraait de kleine jongen, ‘Niet doen!’

Bij aankomst staat voor de uitgang een vadsige veertiger die op het oog verheugd lijkt het kereltje te zien. ‘GOZAHTSJUH!!’ boert (naar ik aanneem) de vader hem toe. Onverschillig stapt Davey het voertuig uit en reikt de man zijn hand. ‘Mama noemt jou vetklep’ is het eerste wat de man te horen krijgt. ‘Joh, weit dat bloedwèf veew’ stelt hij zijn zoon gerust en samen lopen ze richting het stationsatrium.
Even verderop zie ik dat Davey zijn hoofd opzij richt en met een kokbeweginkje een spuugje probeert weg te spugen. Maar dat lukt hem niet. Het bruinwitte fluimpje hecht zich als een lange draad via het metaal van zijn beugel aan zijn jasje.

‘Nu ja, toch een prettige Kerst, Davey’, wens ik hem in stilte toe. Waarschijnlijk komt alles nog goed, want misschien krijg jij dit jaar wel een grote pot industrielijm van de Kerstman, waarmee je de monden van alle Sinterklazen, controleurs en familieleden kan dichtlijmen.

Categorieën: Verhalen

20 reacties

Libelle · 12 juni 2012 op 10:48

Prettig leesbaar verhaal met een kop en een staart mét mening.
Sommige mensen zijn inderdaad gehandicapt voor hun leven. ‘Kevinneke, èeeeeten’, klonk het jarenlang bij ons achter. Kevin is thans een flinke stucadoor met stoere tattoos en een ring door zijn neus; het ergste heeft hij gehad.

Sagita · 12 juni 2012 op 13:16

Beeldend geschreven met mooie observaties!Je zet de dames en de jongen met een paar pennenstreken neer. Met de spreektaal van de dames heb ik af en toe moeite om het te begrijpen, maar ja dat kan aan mij liggen.
Leuk slot!
Een paar opmerkingen.Je gebruikt erg veel onnodige verkleinwoorden: jongetje, brilletje, beugeltje, hoorntje. Op het moment dat jij Davey presenteert als een jongen van zeven weet iedere lezer dat het nog een kind is.
Soms geef je zelf commentaar waardoor je als lezer uit het verhaal geduwd wordt: ‘Had ze maar wat beter in het wiegje gekeken en het onooglijk schepseltje genoemd naar hoe het er uit zag. Maar dat terzijde.’ Het is aan de lezer om dit te bedenken.
Maar in zijn totaliteit vind ik het een heel mooi gegeven!

arta · 12 juni 2012 op 13:22

Leuk geschreven over een dankbaar onderwerp!
😆

LouisP · 12 juni 2012 op 13:34

Lekker om te lezen Pierken,

hier kan ik van smullen:Uit zijn tas graait het jongetje een chocoladeletter van een pond. Nadat hij het uit de verpakking heeft getrokken hapt hij onhandig, gehinderd door zijn beugel, de D tot een C.

Alleen dat dialect, op een of andere manier vind ik dat niet zo leuk, maar vaak kan het niet anders. Zou je het kunnen omschrijven, dat die mensen zo praten?
Ik had een goed beeld van de personages!

Harrie · 12 juni 2012 op 14:13

Eens met Arta. Krijgt dit een vervolg? Van Zoetermeer naar Zoutelande of zoiets? :hammer:

lisa-marie · 12 juni 2012 op 14:18

ach germ on defieke….
heb erg zitten lachen maar vind het ook wel triestig.

sylvia1 · 12 juni 2012 op 18:42

Het dialect las mij ook vreemd in de ogen, maar mooie column. Begrijp alleen niet hoe ik die opening over die mus moet plaatsen?

Pierken · 12 juni 2012 op 19:28

Dank voor jouw positieve mening, Libelle. Met stuc kun je ook hele nuttige dingen doen in de wereld die Kevin heet. Met drijvende kurk trouwens ook 😉 .

Pierken · 12 juni 2012 op 19:28

Thnx voor de tips weer en de positieve overallbeoordeling, Sagita.

Pierken · 12 juni 2012 op 19:31

Kan mij geen dialect genoeg in een column staan. Het dialect is 1 op 1 overgenomen uit het Haagsche taalwoordenboek. Dus vwb schrijfwijze integer. Maar, de beleving daarbij kan dus ook andersom. Ik begrijp je dus. Zijn nachtzusters’ tetjes ook dialectisch te herleiden of kwamen die je op bij de maagdelijke dochter :eh:

Pierken · 12 juni 2012 op 19:34

En triest is het, Arta. Maar ons Defieke zel rep diene beugel(ke) an dnne wilge ange. Of zoiets 😕

LouisP · 12 juni 2012 op 19:34

Pierken,
bij het lezen hindert het me wat, en ook bij het vooruitkijken tijdens het lezen. Het leid me af. Maar dit is puur persoonlijk hoor! In mijn geval. En het valt me het meeste op, ‘heb er het meeste last van, als ik de column echt goed vind! En dat is ie..

Pierken · 12 juni 2012 op 19:35

Ik denk dat het qua mus was zoals het was, Sylvia. Vind het oprecht :wave: te horen dat je het een mooie column vindt, dialect daargelaten.

Pierken · 12 juni 2012 op 19:46

Dank Louis! Kan me ’t zoals gezegd voorstellen dat een hele zin in dialect remt en dat willen de meeste lezers (terecht) niet. Tetjes remmen niet, want dat is 1 woord en spreekt tot de verbeelding. Ach, die verbeelding.

Mien · 12 juni 2012 op 23:44

Haagse Harry kan hier nog een puntje aan zuigen.
Een mooi inkijkje, uit het leven gegrepen.
Ben wel benieuwd wie met al dat gesinterklaas nu uiteindelijk de zwarte Piet heeft gekregen?

Mien

Fem · 13 juni 2012 op 06:50

Voor mij was het ‘dialect’appeltje-eitje, maar dat komt door mijn haagse inslag (en misschien omdat ik wat Haagse Harry’s op de wc heb liggen 😉 )

Goed verhaal, maar vooral ook erg triest. De sfeer mooi neergezet en daardoor voel ik echt mee met die arme, arme Davey…

Heel klein puntje: zeven jaar is wel erg jong voor het dragen van een beugeltje.

Nachtzuster · 13 juni 2012 op 12:08

Fijn column om te lezen. Het dialect heb ik hardop gelezen en dan kom je er prima uit.
Ik zou Davey zo willen adopteren. Weghalen bij die vetklep en bloedwijf!
k Heb genoten. Dank je wel!
:lach:

Ontwikkeling · 13 juni 2012 op 17:20

Goede column! Kop, midden en staart. Inderdaad is 7 jaar wel een bietje jong voor een buitenbeugel, maar dat terzijde.

Het woord vervoersbewijs, hoewel goed gebruikt, kwam triest op me over. Zo’n klein jochie met zo’n grote OV-chip…

Goed neergezet. Geinig dialect, niet storend wat mij betreft.

Pierken · 13 juni 2012 op 19:15

Ik blijk slecht in schatten 😉 . Enneh, Marnix in jouw toiletboekenkast. Hij zou vereerd zijn als ie dat wist! Haagsche Harry wordt overigens tot in Limburg gelezen. Leuk die herkenning, Fem.

Pierken · 13 juni 2012 op 19:18

Een vervoersbewijs 2x zo groot dan hijzelf, met scherpe randjes 😥 . Bedankt voor je positieve reactie, ontwikkeling. Tof dat je reageert.

Geef een antwoord