Elke ochtend zwaaide hij even. Hand omhoog, duim en wijsvinger gestrekt en de rest van de vingers bungelden lui mee. Ik zag hem iedere dag als ik naar school fietste. De oude man met de vele rimpels op zijn gezicht, diverse grijstinten in zijn baard en een taai lichaam, overgehouden aan zijn vele jaren in de scheepvaart. Op weg naar huis maakte ik soms een praatje met hem, maar toen ik er laatst weer langs kwam, sierde een glinsterend bordje met ‘te koop’ het verlaten doffe schip. Douwe heeft altijd al gevaren. ‘Ik wie ien man fan de frijheid,’ vertrouwde hij me toe toen zijn vrouw buiten de was ophing. De vrijheid, dat betekende alles voor hem. Hoe harder de wind en onstuimiger het water, hoe gelukkiger hij was. En vrij was hij zeker, voor hij Toos ontmoette. Hij had de schunnigste verhalen over de bezoeksters van de havenkroegen. Van Harlingen tot Antwerpen, hij kwam overal waar zijn vracht hem bracht.

Hij sprak diverse talen en had vele talenten, maar schoonmaken was daar niet bij. ‘En gok es wa ien frou kriget? Ik, sei de gek.’ En die vrouw kreeg hij, toen ze met haar zeilbootje op het Snekermeer in botsing kwam met zijn schip. Hij was eerder kwaad geweest, maar bij het aanschouwen van haar frisse blonde haren en die geschrokken blik, was iedere twijfel overboord en kwam zij aan boord. En zo ook in zijn kajuit, al stelde ze als voorwaarde dat hij het schoon moest hebben als ze terug zou komen. Ze kwam terug en sindsdien heeft hij nooit meer iets in de keuken aangeraakt. Dat deed zij voor hem.

Maar met de komst van vrouw en de kinderen, ging ook zijn vrije leven eraan. Liefde doet rare dingen met je en Douwe kreeg voor het eerst sinds zijn carrière een vaste ligplaats. Hoe het zover kwam, begreep hij zelf ook niet meer, maar op een dag had hij bordjes met de afmeting van zijn schip aan de wal geklonken, zodat een toerist zijn plek niet zou claimen, de muntjes voor de dichtstbijzijnde supermarktkarretjes zaten altijd in zijn broekzak en de kliko stond op de kade.

Niet al zijn streken waren verloren gegaan met de komst van Toos, niet veel later gevolgd door de komst van twee kinderen. Een zoon en een dochter. Toen zij na een dagje uit terugkwamen, vond hij zijn dochter in het vooronder met een gretige zeilgozer in polo, vast vanuit de toeristische jachthaven iets verderop. Hij heeft hem direct van zijn schip gezet. Maar wie denkt dat het aan de wal was, kent Douwe nog niet. Hij kan er nu om lachen, maar zijn dochter lange tijd niet.

De laatste keer dat ik bij Douwe op bezoek kwam, waren zijn kinderen allang het huis uit en woonde zijn vrouw in een verzorgingstehuis. Hij miste haar enorm, maar haalde zijn schouders op en zei gekscherend dat hij zijn aandacht nu dagelijks verdeelde tussen zijn twee grote liefdes. Zijn vrouw op de kant en zijn schip, Skjin Skip Meitsje. Maar echt schoon was zijn schip niet meer. De mok met koffie plakte en het stof lag hoog in de kleine woonkamer. Maar Douwe was nog niet klaar voor het tehuis. ‘Ik kin myself poerbest redde,’ en dat kon hij zeker. Tot hij een jaar later zelf ook hard achteruit ging en zijn dochter geen verzorgingstehuis kon vinden die hem direct op kon nemen.

Maar ouwe Douwe zou zijn schip niet vrijwillig verlaten. Met demente Toos en kinderen die hij nauwelijks zag, wilde hij thuis blijven, bij zijn eerste en laatste liefde. Hij zou ervandoor gaan en stond klaar om de trossen los te gooien. Weg van de haven, weg van zijn schulden die hij nooit helemaal had afgelost, weg van zijn geliefde die hem nooit meer zal herkennen. Maar tussen de wal en het schip verloor hij zijn evenwicht.

De boot staat te koop, stoffig en grijs zoals Toos het voor het eerst zag. Douwe is begraven. Niet in de vrijheid, zoals hij had geleefd, maar netjes te land, zoals zijn kinderen dat wilden. Met het muntje voor de boodschappenkar nog in zijn broekzak. Ik ga terug naar de kade, waar de kliko aan de wal staat. Als niemand kijkt, stoot ik het zachtjes om. Ik blijf niet kijken als ik een plons hoor en de laatste luchtbellen aan de oppervlakte komen. De kliko mag van de kade. Douwe komt niet meer los van de wal, maar zijn laatste vuil mag Skjin Skip Meitsje.


1 reactie

arta · 22 augustus 2009 op 09:58

Bijzonder, dit levensverhaal.
Hier en daar loopt het (voor jouw doen) niet helemaal lekker, maar dat doet eigenlijk weinig af aan de verder goedgeschreven inhoud.
🙂

Geef een antwoord