‘Wijjewat voormedoen?’ Willem stond bij het tuinhek en keek toe hoe ik probeerde de paal van het tuinhek los te graven.
‘Wil jij dan wat voor mij doen?’ hoorde ik mezelf tot m’n stomme verbazing zeggen.
‘Tuurlijk,’ zei Willem.
‘Trek die paal er even uit,’ vroeg ik nonchalant.
Hij deed een stap naar voren. Greep de paal met beide handen beet en zette kracht. De paal bewoog niet eens. Maar Willem liet niet los. Ik zag aderen zwellen, ik zag spierballen spannen. Ik zag zijn hoofd nog roder worden dan het al was. De paal besloot zich er niks van aan te trekken. Willem ook niet. Angstig sloeg ik het gade. Dit was niet de bedoeling. Als het niet ging, jammer dan. Willem moest hier niet met een hersenbloeding op de grond komen te liggen. Ik zag de aderen nog steeds zwellen.
‘Genoeg! Genoeg!’ wilde ik gillen. Toen zag ik de paal in beweging komen. ’t Was ongelooflijk. Eens te meer besefte ik dat je nooit ruzie met Willem moest krijgen. Die kende zijn eigen kracht niet. Als een menselijke dragline trok hij de paal uit de grond, zette het ding toen bedaard naast het tuinhout dat ik er had neergelegd, veegde wat grond van zijn handen, krabde eens in zijn haar en grijnsde.
‘Goeiehelp,’ zei ik met bewondering in mijn stem. ‘’t Is niet te geloven.’
‘Nou moejje mij helpe,’ zei hij.
‘Natuurlijk,’ begreep ik. Waar zou hij nou mee komen.
‘Jemagnikszegge,’ zei hij op samenzweerderstoon.
‘Tuurlijk,’ knikte ik. Wat zou hij bedoelen? Waar had hij het over?
‘Komeedan,’ hij draaide zich om en liep weg.
Ik keek naar mijn vuile handen, naar m’n ouwe broek, naar de laarzen die ik aan had, naar het tuinhout, het hek en naar het huis. Vooruit dan maar. Willem had me tenslotte ook van die verrekte paal bevrijd.
‘Waar ga je heen?’ riep ik terwijl ik haastig achter hem aan liep.
‘’t Hoekje,’ zei hij zonder zich om te draaien.
Ik kwam naast hem lopen. ‘Ik zie er niet uit,’ zei ik.
‘Maaktnietuit. Ik willet weten.’ Ik keek hem aan. Hij had een gespannen uitdrukking op zijn gezicht. Ik had hem nog nooit zo gezien. Wat was er aan de hand?
‘Wat wil je weten?’
‘Wajjedenk.’
‘Wat ik denk,’ herhaalde ik. Snappen deed ik er niks van. Maar we gingen naar ’t Hoekje. Ik besloot geen pils aan te raken. Ik moest nog verder met dat hek. Twee pilsjes en ik lag op apegapen.
‘Geen pils,’ bezwoer ik.
‘Maaknieuit,’ gromde Willem.
We waren aan het eind van de straat gekomen. Ik keek nog even achterom. Connie zou niet weten waar ik was. Het moest niet te lang duren. Alles lag aan de kant van de weg.
‘Wat wil je weten?’ probeerde ik nog een keer.
Willem had het dit keer gehoord. Hij schudde met zijn hoofd. We naderden de kroeg. Willem deed de deur open.
‘Kom,’ beviel hij.
Achterin de kroeg zaten een paar vrouwen rond de tafel. Zo te zien speelden ze een spelletje. Eerst dacht ik dat het Mens erger je niet was. Toen ik wat dichterbij kwam zag ik dat het Rummicub was. Ze keken allemaal gespannen naar een magere spicht van een jaar of veertig die de ene na de andere fiche verplaatste. Ik zag dat ze er nog twee op haar bordje had liggen.
‘Zij!’ gromde Willen. ‘Kijk ‘r ’s goed naar.’
Dat had ik al gedaan. Ik zag dat Spicht op het punt stond te winnen. Punt van de tong tussen de lippen. Ogen die heen en weer flitsten over het bord. Ze had kort blond haar, tegen geel aan. Ze droeg een spijkerjasje en dito broek. Ze was oerlelijk, maar ze had een goed figuur.
‘Nou?’ vroeg Willem dringend naast me.
Spicht keek op. En toen begreep ik het. Er flitsten verschillende dingen door me heen. Willem wilde weten wat ik van Spicht vond. Spicht keek op een manier naar Willem die niets aan duidelijkheid te wensen over liet. Ze zag wat in hem. Willem aarzelde en wilde weten wat ik van Spicht vond.
‘Nou….’ Fluisterde ik.
‘Ja?’ vroeg Willem.
‘Mooi kontje,’ fluisterde ik.
Ik hoorde het geluid dat bij een grijns paste. ‘Verder?’ siste hij.
‘Vingervlug,’ siste ik. Ik besefte de dubbelzinnigheid meteen. ‘Met Rummicub,’ voegde ik er gehaast aan toe.
‘Ja… En?’
Hij wilde natuurlijk weten wat ik van haar uiterlijk vond. Hij twijfelde. Spicht viel op hem. Dat leek hem wel. Maar kon hij met haar in het openbaar gezien worden? Of, om te beginnen, in deze kroeg?
‘Gaat wel,’ bleef ik op de vlakte.
‘Hoezo, gawel?’
‘Een beetje make-up,’ fluisterde ik. ‘Tikkie aan de bleke kant. Verder wel aardig.’
Willem gromde. Ik verwachtte een knoestige hand in mijn nek die me de adem zou afsnijden. Hij keerde zich abrupt om en zei: ‘Kom!’
Ik draaide me ook om. We stonden met ons gezicht naar de bar.
‘Pilsje,’ gromde Willem naar zijn evenbeeld achter de bar.
Er schoven twee grote jongens over het blad naar ons toe.
‘Eentje maar!’ beviel Willem.
‘Een maar,’ gaf ik toe.
‘Ze komp al een poosje hier,’ zei Willem. ‘Ze ziet watinme.’
Dat was me nu wel duidelijk. En nu kon hij overdenken wat hij van haar vond met mijn commentaar.
‘Meekup,’ zei hij zacht.
‘Beetje maar,’ knikte ik. ‘Ze is een beetje bleek. Wat make-up doet wonderen.’
‘Mooie kont,’ herhaalde hij mijn opmerking van net.
‘Mooi lijf,’ voegde ik er aan toe.
Willem keek tersluiks over mijn schouder naar Spicht. Die had al die tijd zitten goochelen met fiches. Er waren al protesterende kreten geweest dat ze veel te lang aan de beurt was.
‘Uit!’ riep Spicht triomfantelijk. Ze keerde haar bordje om. Geen fiches meer te zien.
‘Wijje zegge da’k wat inhaarzie?’ vroeg Willem.
‘Wat?’ vroeg ik stomverbaasd.
‘Effe zegge,’ knikte hij.
Ik zat roerloos. Ik was tot boodschappenjongen gepromoveerd. Wat moest ik nou? Was dit gewoon in deze kroeg? Begonnen relaties zo?
‘Doenou!’ dwong Willem.
Ik greep mijn pils van de bar. Mijn handen trilden. Ik dronk de pils in één keer op. Ik zag de ogen van Willem van Spicht naar mij flitsen en weer terug.
Het bier daalde af. Het deed weer die dingen met mij. Ik stapte van de kruk af en liep met bibberende knieën naar Spicht.

Categorieën: Hokusai bon

0 reacties

Geef een reactie