Sterk zijn en durven, dat zijn de ingrediënten van stoerheid. Je moet stoer zijn om gevaren te trotseren en om je te kunnen meten met je tegenstanders. Onmisbaar voor ruwe zeebonken die de zeven zeeën bevaren, ruige houthakkers die met een bijl in hun blote handen woudreuzen vellen en machtige jagers die met gevaar voor eigen leven hun prooi moeten bemachtigen. Maar ruwe zeebonken, ruige houthakkers en machtige jagers zijn er niet meer. Computergestuurde schepen, machinale houtkap en de bioindustrie zijn in hun plaats gekomen. Tegenwoordig is er niet veel meer te doen voor stoere kerels. Aan de computer en achter de toonbank van een broodjeszaak is er voor mannen van stavast met hun stevige knuisten geen eer te behalen. Wat blijft er over? In leger en politie wordt een beetje stoerheid nog wel op prijs gesteld. Maar er zijn steeds minder militairen nodig. En politiemannen zitten meestal in de auto of achter hun bureau. Vrachtwagenchauffeurs rijden in een truck waaraan alles bekrachtigd is. Waar moet een man dan heen met al die stoerheid die na duizenden jaren stevig in zijn genen is verankerd? Daar moest wat op gevonden worden. En dat is gelukt.

Stoere sporten. Voetbal heeft natuurlijk spelregels maar zonder een beetje intimidatie en geweld zou voetbal niet stoer zijn. Maar ook met sporten als boksen, rugby, honkbal, wielrennen of autoracen kan een stoere vent weer laten zien wat hij waard is. Als de beuk er maar in kan. Daar moet je sterk voor zijn. Maar stoer gaat ook over durven. Belletje trekken, met losse handen fietsen, stiekem roken en drinken, brommerrijden zonder helm. Zo wordt een jongetje spelenderwijs een stoere knaap. Als die knaap een vent wordt komen bungeejumpen, basediven, wildwaterkanoën, raften en niet te vergeten hard scheuren in een auto, al of niet met drank op. Maar voetballen, bungeejumpen en belletje trekken, je schiet er eigenlijk niets mee op. Die stoere zeebonk van vroeger bracht tenminste nog een mooie vangst vis naar huis, daar had je wat aan. Kon je maar stoer zijn zonder je in te spannen of halsbrekende toeren uit te halen.

En ook dat lijkt niet onmogelijk. Die houthakker van weleer was ook niet aan een stuk door bomen aan het kappen. Maar tussen het hakken door was hij toch stoer. Stoerheid was zijn imago, al kenden ze die term toen helemaal nog niet. Imago, dat is de truc van het moderne stoer zijn. Verwachtingen wekken zonder dat ze ingelost hoeven te worden. Stoerheid straal je uit. Bijvoorbeeld met stoere kleren, zonnebrillen, petten of kapsels. “Workers” zijn broeken waar nooit in gewerkt wordt. Van stoere shirts worden de mouwen misschien wel eens opgestroopt maar niet om de handen er uit te steken. ‘Looks’ daar gaat het om. Bij jongens werkt het perfect. Kleine kereltjes wilden altijd al zijn zoals hun stoere papa. Om te beginnen was het al heel wat om er net zo uit te zien. Die vertederende knaapjes, petje op het bolletje, piepklein houthakkersshirtje, zelfs de stuurse blik in papa’s ogen konden ze feilloos imiteren. Als ze later groot waren kwam de rest vanzelf. Ze worden tegenwoordig groter dan ooit, imiteren kunnen ze als de beste maar de rest die komt niet meer, de tijden zijn veranderd. Als het eenmaal van die lange slungels geworden zijn, van top tot teen gehuld in merkkleding, sigaret in de ene, breezer in de andere hand, dan is het vertederende er wel van af. Meer dan grote kleine jongetjes zullen ze nooit worden. We noemen ze macho’s.


3 reacties

Ab · 18 juni 2003 op 20:16

Leuke column Maurits het zijn tegenwoordig inderdaad schuimtaarten. groetjes AB

Barbara · 19 juni 2003 op 10:41

lekker stukkie! leest makkelijk en tof onderwerp.
😀

Yero · 26 juni 2003 op 09:38

Niet stoer meer? Nou, dan stop ik ook met fitness

Geef een antwoord