Voorwoord: Dit verhaal heb ik geschreven nadat ik geïnspireerd raakte door Nick Hornby, een Engelse voetbalschrijver, die bekend staat vanwege lange zinnen. Het is wel niet de stijl die wij als Hollanders prefereren, maar toch. Als supporter van voetbal en van Arsenal en FC den Bosch in het bijzonder moet mijn vriendin regelmatig lijdzaam toezien hoe de televisie weer eens op een kanaal staat afgestemd waar 22 mannen, een bal en een scheidsrechter over het beeld rollen. Voor Jolanda

Of het nu de kou was die het stadion een aanzien gaf dat meer leek op een leegstaande kerncentrale dan een voetbaltempel (zo ervoer ik het meestal zelf wel als ik daar alleen was, samen met al die andere mensen die eveneens bevangen waren met koorts, de voetbalkoorts welteverstaan) of het kwam omdat de tegenstander Stormvogels Telstar was, weet ik niet meer. Maar haar gezicht sprak boekdelen (eindelijk had ik haar er van weten te overtuigen dat het heel nuttig was voor het leerproces waarin ze verkeerde, dat het beter zou zijn als ze een keer mee zou gaan naar de plaats delict, zodat ze zelf kon zien hoe mijn, somtijds angstaanjagende, liefde voor de bal nu echt in zijn werk ging) en ze had het duidelijk niet naar haar zin. Stormvogels Telstar was een club die in die tijd met moeite elk seizoen weer haar licentie veilig wist te stellen en die als enige, samen met Eindhoven, standaard voetbalde voor een publiek van – schrik niet – 100 tot 150 toeschouwers. Het stadion, dat je in ieder geval wel het gevoel gaf trots te zijn op de eigen Vliert, rook standaard naar urine, vermengd met de zoete geur van de jus waarin de braadworsten (die overigens wel verrukkelijk lekker waren) gebakken werden en ik ben er dan ook van overtuigd dat je iemand met enige scepsis – dat voetbal alleen voor verwende zakenlui was die een voetbalclub als speeltje zagen – eens mee moest nemen naar sportpark Schoonenberg in Velsen-Zuid, het gehucht waar de Vogels haar thuiswedstrijden afwerkte. Gegarandeerd dat hij of zij het hele voetbalwereldje voortaan zou afschilderen als een vestiging van Het Leger des Heils voor de opvang van daklozen (al moet je niet denken dat een dakloze dankbaar zou zijn als die bij Telstar zou mogen blijven slapen, dat gaat de moderne zwerver zelfs nog te ver) en zich nooit meer zou laten zien in wat voor stadion dan ook. De ster van het elftal bij Stormvogels Telstar was Glynor Plet, een jongen die wij in een eerder stadium van zijn leven ook mee hadden mogen maken alleen liet hij toen heel andere dingen zien dan de weergaloze doelpunten die we hem de laatste tijd zagen maken in de samenvattingen van RTL7 wat ons dan ook weer een gevoel gaf dat goede spelers zich maar niet konden ontplooien in den Bosch. Zo ook vandaag, de wedstrijd was nog maar een paar minuten oud toen hij een bal aangespeeld kreeg een metertje rechts van hem – de overige spelers van Telstar waren namelijk wel echt slecht – maar wonder boven wonder wist hij de bal mee te nemen alsof hij een magneet in zijn schoen had zitten die de bal vanzelf naar hem toe stuwde (trainers hadden me al ontelbare keren proberen uit te leggen dat zoiets nou vorm was; en ik wist het wel maar wilde het gewoonweg niet accepteren zolang een speler een ander shirt aan had dan het blauwwitte van ons efcéédéébéé) en stormde richting het doel voor ons af. Ik zag het met afgrijzen tegemoet en maakte onmiskenbare geluiden die niemand vreemd deden doen opkijken, mijn medesupporters waren immers ook bezig met het aanzwengelen van iets wat op een brul van afkeur moest lijken, keek mijn vriendin me aan alsof ze het idee had dat ze middenin een jungle terecht was gekomen en nu overvallen werd door honderden jankende hyena’s. Bij de rand van het doelgebied aangekomen sneed Peter van de Berg, onze oude vertrouwde centrale verdediger die nooit in paniek leek te raken, hem de pas. Bijna haalden we opgelucht adem, ware het niet dat Plet met het uiterste puntje van zijn rechtervoet net onder de bal wist te komen, hem omhoog lepelde met akelige precisie zoals Raymond van Barneveld een 180-er kan gooien, om vervolgens toe te kijken hoe onze oude vos uitgleed, Plet de bal klaar wist te leggen voor zijn rechtervoet en verwoestend uit haalde in de korte hoek waarop Brahim Zaari, die al bijna het gehele seizoen onder lat stond omdat Mäenpää (onze Finse eerste doelman) geblesseerd was, het nakijken te geven. Het gejank op de tribune veranderde in een woest onderaards gebrom, wat ongetwijfeld angstaanjagend moet hebben geklonken voor mijn vriendin, maar wat nog veel erger was voor mij en al die andere medelotgenoten. Tenslotte zouden wij (mits den Bosch nog een geniale ingeving zou krijgen, en die kans was niet groot) hier nog een week lang ziek van zijn met de bijbehorende klachten. Helaas stond er op de achterkant van je seizoenskaart niet vermeld dat je voor het gebruik er van een bijsluiter moest lezen, en mocht het er al hebben gestaan had je hem waarschijnlijk toch niet gelezen, dat deed je immers bij je medicijnen ook nooit. De buikpijn, hoofdpijn, koude rillingen, plotseling opzettende koorts, slapeloze nachten, uitslag (dat kwam van het slechte bier), afgevreten nagels en alles wat je op een doorsnee bijsluiter kon lezen waren een logisch gevolg van het bekijken van een voetbalwedstrijd in de Eerste Divisie (die toen Jupiler League heette, wat overigens nergens te verkrijgen was in het stadion) en het bevestigde dan ook alleen maar dat zowel het voetballen zelf, als het kijken er naar, niet bevorderlijk waren voor je gezondheid. Toen we naar huis reden, nadat de auto met behulp van wat andere supporters uit de modder was getrokken, verbrak ze de doodse stilte die Arjan en ik gewoonlijk inlaste als een wedstrijd zo desastreus was verlopen als die van vandaag met de meest pijnlijke opmerking die ik in dat seizoen heb moeten aanhoren. “Dat je van voetbal houdt begrijp ik nog, dat je van den Bosch houdt wordt al moeilijker te begrijpen, maar dat je zelfs naar voorstellingen gaat als deze en dan bovendien mij nog naar deze kolere bende toe durft mee te nemen, dát begrijp ik niet!” Ik keek naast me naar Arjan, wanhopig op zoek naar hulp en gelukkig vond ik die. Hij keek me aan met een geruststellende blik, alsof hij wilde zeggen; “Geeft niet hoor maat, ik begrijp het wel!”

Anton Kuijntjes


5 reacties

arta · 26 april 2009 op 22:41

Na de inleiding kon het voor mij al niet meer stuk. Fan van Den Bosch, helemaal goed!
Zelfs al geef ik geen bal om de sport, vond ik het vrij lang en miste witregels, geen verkeerd woord van mij!:-D

doemaar88 · 27 april 2009 op 10:26

Zonde van dat voorwoord, niet meer doen hoor! 😉

Ik heb het dolgraag willen lezen, maar de lettertjes dansen over mijn scherm en ik heb geen idee welke zin ik aan het lezen was. Witregels, witregels, witregels 😀 Nu is het echt niet leesbaar. En dat is jammer, want je schrijft erg leuk! 😀

lisa-marie · 27 april 2009 op 15:28

Geen voorwoord! en meer witregels om het leesbaarder te maken.
Deze vind ik leuk:
😀
[quote]Ik zag het met afgrijzen tegemoet en maakte onmiskenbare geluiden die niemand vreemd deden doen opkijken, mijn medesupporters waren immers ook bezig met het aanzwengelen van iets wat op een brul van afkeur moest lijken, keek mijn vriendin me aan alsof ze het idee had dat ze middenin een jungle terecht was gekomen en nu overvallen werd door honderden jankende hyena’s. [/quote]

arta · 27 april 2009 op 16:34

Had ik al verteld dat ik het voorwoord geweldig vond???:-D

Mien · 28 april 2009 op 10:12

Te veel wol en te weinig wit.

Mien

Geef een antwoord