“Mama, ik ben opgeroepen”. Tamara Riechmann had in de huiskamer van haar driekamerwoning in Haifa gestaan en niets gezegd. Ze had in de lege ruimte gestaard die zich achter haar zoon moest bevinden. Ogenschijnlijk in gedachten verzonken, maar in werkelijkheid in het besef dat hetgeen ze de afgelopen weken iedere dag had gevreesd, was uitgekomen. “Verstond je me?” Amir had zijn boodschap herhaald: “ik ben opgeroepen.” De voorbije weken, sinds het begin van al deze ellende, was er geen uur voorbij gegaan zonder dat Tamara zich ten minste eenmaal die bewuste vraag had gesteld. Amir, haar twee-en-twintigjarige zoon had twee jaar geleden zijn dienstplicht voltooid en studeerde sinds kort werktuigbouwkunde aan de Technische Universiteit van Haifa. Hij was een joviale jongen, wat klein van stuk, goedlachs en hoewel soms wat ongeduldig, geboren met een groot hart dat voor iedereen openstond. Door zijn dienstplicht had hij zich vrij goed heengeslagen, hoewel het soldatenbestaan hem nooit op het lijf was geschreven. Toen zijn dienstplicht erop zat had zijn moeder een zucht van verlichting geslaakt dat hij zich daar zonder kleerscheuren doorheen had gewerkt. Zij zag hem liever als student dan als militair, hoewel ze altijd had gevonden dat het groene pak en de bruinleren laarzen hem goed stonden. Hem volwassener maakten op de een of andere manier. Maar sinds de strijd in Libanon was opgelaaid en steeds meer reservisten werden opgeroepen, leefde Tamara met de vrees dat Amir gebeld zou worden met verzoek zich te melden bij zijn eenheid. Het bewuste telefoontje, dat als het Zwaard van Damocles boven de woning van familie Riechmann hing, bleef echter lang uit.

Tot die bewuste zaterdag, Yom Shabbat. Amir had enkele uren gehad om wat spullen in te pakken en afscheid te nemen. Hij had een rugzak volgepakt met wat kleren, zijn MP3-speler en nog wat nuttige dingen. Het afscheid was kort maar emotioneel. Yahel, het jongere broertje van Amir had zich groot gehouden, hoewel een vluchtige glinstering in zijn ooghoek ook zijn verdriet verraadde. Maar hij stond zich niet toe om te gaan huilen in het bijzijn van zijn broer. Dat was een prestatie die Tamara graag had willen evenaren maar waar ze tot haar grote ergernis niet in slaagde. Ze omhelsde Amir en fluisterde hem in tranen toe voorzichtig te zijn. Amir beloofde snel en in goede gezondheid terug te komen. “Voor je het weet zit ik weer in de studieboeken”, had hij gezegd. Hij maakte zich los van haar, kneep haar nog even zacht in haar bovenarm en liep op zijn lift af. Voor hij in de auto stapte draaide Amir zich nog eenmaal om en zwaaide.

Het was inmiddels zondag, Yom Rishon. Tamara had vandaag vrij gehouden en was thuis gebleven. Met het geluid van de radio op de achtergrond was ze voor Yahel en haarzelf ontbijt aan het maken. Maar haar gedachten waren elders. Zoveel ideeën schoten door haar hoofd dat ze iedere poging om orde te scheppen in de chaos had moeten staken. Zojuist was op het journaal verteld dat in Kfar Giladi een raket was gevallen waarbij zeker tien soldaten waren omgekomen. Enkele soldaten waren gewond weggebracht naar een nabijgelegen ziekenhuis. Tamara deed, uit vrees volledig krankzinnig te raken, verwoede pogingen om niet toe te geven aan de neiging haar angstige gedachten onder ogen te zien. Het keukenmes in haar rechterhand sneed met snelle slagen de komkommer in dunne plakken. Haar ogen waren gericht op haar handen, maar haar blik werd vertroebeld door datgene wat er zich diep van binnen afspeelde. Pas op het moment dat het scherpe lemmet van het mes in haar linker ringvinger sneed schrok ze wakker. Het bloed droop eruit, en normaal gesproken zou Tamara onmiddellijk maatregelen hebben getroffen om het bloeden te stelpen. Maar in plaats daarvan staarde ze naar buiten.

In de verte, aan het einde van de lange weg die naar hun wijk leidde, verplaatste zich een grote stofwolk. De stofwolk werd veroorzaakt door een groot kaliber auto, een jeep, die ze eenmaal dichterbij gekomen herkende als een legervoertuig. Terwijl het bloed van haar linkerhand in de wasbak droop bleef Tamara versteend naar buiten kijken. De auto kwam dichterbij. Tegen het moment dat deze stilhield voor haar oprit had een traan van het oog van Tamara zich een weg gebaand via haar wang naar haar kin, om een vrij val te maken en te landen op haar bebloede linkerhand. Het zoute vocht vermengde zich met het bloed, toen de deurbel ging.

Een tweede traan zocht zich de kortste weg naar de hoek van haar kaaklijn op het moment dat ze de deur opendeed. Twee mannen in legeruniform die ze herkende als officieren keken haar aan. De langste van de twee sprak. “Mevrouw Riechmann, moeder van Amir Riechmann?”

– – –

Elf Israelische doden door Hezbollah-aanval

(bron: www.nu.nl 06-08-2006)

Zeker elf mensen zijn om het leven gekomen toen een Hezbollah-raket zondagmiddag een woongebouw in het Noord-Israëlische dorp Kfar Giladi trof. Dat meldden reddingsdiensten. Er zijn minstens twintig gewonden, van wie er vier slecht aan toe zijn. Het is tot dusver in het op 12 juli begonnen gewapende conflict de zwaarste aanval op het noorden van Israël. Volgens de Israëlische tv-zender Channel 2 zijn alle doden militairen. Een woordvoerder van de strijdkrachten bevestigde wel dat er onder de doden reservisten zijn die waren opgeroepen voor het offensief in Zuid-Libanon. Hij wilde echter niet zeggen hoeveel militairen zijn omgekomen.


4 reacties

Fred · 24 september 2006 op 22:21

Tja zolang er oorlogen zijn, zijn er moeders die hun zonen en mannen verliezen, welke nationaliteit dan ook.
Mook stukje.

KawaSutra · 25 september 2006 op 01:13

De nuchtere nieuwsfeiten aan het eind geven eigenlijk de betekenis aan het hoofdverhaal, hoe gek dat ook klinkt. Elk verhaal apart voegt niets toe aan een geschiedenis die we al decennia kennen. Hoeveel veelbelovende jongemannen moet het nog kosten om starre gedachten te doen keren?

pally · 25 september 2006 op 17:46

Het nuchtere nieuwsbericht aan het eind doet het meeste met mij als lezer.
Toch vind ik het een mooi stuk.
Misschien met een iets te grote plaats voor tranen.

Dees · 25 september 2006 op 20:31

Het sentiment ligt een beetje op de loer in je verhaal en ook zonder sentiment is het krachtig genoeg. Verder goed geschreven.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder