Het andere eind van de wereld

Het is guur en stormachtig als ik begin aan de lange rit vanuit mijn woonplaats naar de kust. De cd-speler is toe aan het negende nummer: ‘Make you feel my love’. Gefascineerd zit ik te luisteren hoe Adèle zingt over stormen boven een aanrollende zee, over hoe ze alles zou willen doen om hem haar liefde te doen voelen. Ik zing met haar mee en als vanzelf wordt deze song een soort mantra voor me. Alsof dit liedje mijn voorgevoel weg kan nemen, weg moet nemen. Telkens opnieuw laat ik dit nummer op het hoogste volume door de auto galmen, totdat ik het, ergens voorbij Utrecht, foutloos mee kan zingen. Na anderhalf uur bereik ik de kust. Een snel rekensommetje leert dat ik zevenentwintig duetten met Adèle gezongen moet hebben.

Tijdreis

‘Freddy,’ zegt hij en die naam roept niet onmiddellijk herinneringen op. Als hij vervolgt dat ik de ontvanger was van zijn allereerste Sinterklaasgedicht, dat hij afsloot met: ‘groetjes van Freddy’, begint er voorzichtig iets te borrelen in mijn geheugen. Vanavond maken wij, oud-klasgenoten, een reis terug naar het midden van de jaren zeventig. Een aantal van mijn medereizigers is, wat uiterlijk betreft, niet erg veranderd. Anderen moeten me eerst hun naam vertellen, voordat er bij mij een belletje gaat rinkelen. Maar naarmate de avond vordert, krijgen verbleekte herinneringen opnieuw kleur.

Aftellen met Amélie Poulain

Vorige week heb ik, zoals de laatste jaren traditie is rond deze tijd, een pompoen uitgehold. Met behulp van een extreem bot aardappelschilmesje heb ik er daarna twee driehoekjes uitgesneden. Die vormen samen de ogen, een kleiner driehoekje eronder de neus. De grootste uitdaging vormde het uitsnijden van de mond, maar nu staat hij dan toch, met een waxinelichtje in zijn binnenste, op mijn balkon. Door de regen van de afgelopen dagen is het rottingsproces jammer genoeg nu al ingetreden. Ogen, neus en mond krijgen een steeds dikkere laag schimmel en het monster krijgt iedere dag een papperiger uiterlijk. Ik ben bang dat hij Halloween niet zal halen.

Thomas

[b]M[/b]ijn hoofd zit vol watten als ik vanmorgen wakker word. Verheugd merk ik dat de pijn in mijn kaak, na tweeënhalve week, eindelijk verminderd is. Kennelijk doen de pijnstillers en de antibiotica die ik maandag van de huisarts kreeg hun werk. Suf worden mijn hoofd en lijf er wel van. En duizelig. Daarnaast heb ik nu ook last van een stekende hoofdpijn. Toegeven aan mijn uitermate wankele conditie van dit moment wil ik niet, dus sta ik dapper op. Ik smeer een paar boterhammen voor mijn dochter, die neuriënd haar tas staat in te pakken. Ze zingt leuk, maar ik kan er het nu niet bij hebben en als ze even later de straat uitfietst, slaak ik wat gegeneerd een zucht van verlichting. Waar is mijn bed?

Vampier zonder tanden

Zijn staalblauwe ogen lijken dwars door me heen te kijken als hij zich over me heen buigt. Ik probeer te ontspannen en doe, zonder dat hij het merkt, een paar ademhalingsoefeningen, die ik me nog van de laatste yogales herinner. Terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wist, vloekt hij binnensmonds maar toch duidelijk hoorbaar. Ik voel me nog steeds niet op mijn gemak, maar weet niet zo goed hoe ik dat kenbaar moet maken. En dan probeert hij mijn mond iets verder te openen terwijl hij: ‘Het is weer maandag,’ gromt.