Broederschoenen
Een kindermeisje, Trijntje, komt overdag mijn moeder bijstaan met onze verzorging. Een dorpse meid met een breed gezicht en rode wangen, maar bovendien voorzien van een stevig Utrechts accent. Wij vinden het erg grappig, dat platte praten van haar. Mijn vader ook.
Hij vraagt iedere avond als we klaar zijn met eten: ‘Heb je genoeg gegeten, Trijntje, of wil je nog wat?’
En dan antwoordt ze steevast: ‘Nee, meneer, ik ben zaat’.
Een heerlijke zin om te imiteren, als ze naar huis is. We maken er een springtouwliedje van. ‘Ik ben zaat, zaat, zaahat’.
