Veegweer

Als de mist eindelijk op zal trekken- van mij hoeft het niet, want het is zo lekker intiem om onder een laagje wattentule te leven- zal het voorbij zijn: net of er op alles een luchtige deksel zit. Dat voelt veilig en je hoort ook bijna niks. De auto’s op de provinciale weg achter onze boomgaard zijn alleen nog maar geluidloos voorbijglijdende schimmen. Zo moet een wereld met elektrische auto’s ongeveer zijn en dit is alvast een voorproefje op wat hopelijk ooit komen gaat.

Ziekenhuissluipers

Stevige witte schoenen dragen is verplicht als je leerling-verpleegster bent. Ook moeten er zachte zolen onder die degelijke schoenen zitten, zodat je niet de hele dag en zeker niet in de nacht, vrolijk rondklikklakt door gangen, zalen en spoelkeukens. Die zachte zolen vind ik wel logisch. Als patiënt wil je je niet in een tapdansgelegenheid wanen. Erg charmant staan die witte dingen niet, zeker niet bij mijn te dunne benen.

Stinksirene

Sirene, ik hoor een sirene. De eerste maandag van de maand? Welnee, nog lang niet, bovendien is het woensdag. De stofzuiger boven, met echtgenoot eraan vast? Maar zo’n hoog hysterisch geluid! Nee, echt niet normaal, zeg. Wat ruik ik? De sterke grilllucht van een barbecue vol met rubberen of plastic hamburgers. Nog smeriger eigenlijk. Ik ruik ook rook. Of kan dat niet? Weet ik veel. Hoofdpijn krijg ik er meteen van.

Texelaria deux

Doornat en depressief van de regenbuien die nooit meer leken te stoppen. Ik had het al opgegeven. Dit zou blijven stromen tot in de winter. Dan -ongelooflijk- waren de aardtranen opeens opgedroogd en zie, de zon, die vergeten schijf, kwam opnieuw te voorschijn om een week lang te blijven. ‘Beloofd’ zwoer de weerman op TV met gekruiste vingers.

Vloekuh!

‘Dit is verdomme toch echt zwaar om te doen’, roept echtgenoot zuchtend vanaf zijn klus op ons dak. ‘Ik krijg er zere poten van’. En als ik niet uitkijk, donder ik nog naar beneden ook, want veel houvast heb ik hier niet.