Ik was in gedachten verzonken naar ’t Hoekje gelopen. De auto was gespoten en zag er schitterend uit. Ik had die middag het dashboard weer ingebouwd. Alles kon weer worden ingebouwd. Ben zou nog een paar dagen veel werk hebben en dan was het gebeurd. En toch peinsde ik over het ‘kleinigheidje’. Ik wilde van het gevoel af dat Willem wat over me te vertellen had. Toen ik ’t Hoekje binnenkwam zag ik tot mijn verbazing J.P. naast Willem aan de bar zitten.
‘Meneer Zondag,’ zei hij uitnodigend. ‘Wat leuk dat u ook even komt.’
‘Hé buur,’ galmde Willem. ‘Pilsje?’
‘Tuurlijk,’ zei ik. En ditmaal meende ik wat ik zei.
‘U komt hier niet zo vaak,’ constateerde J.P. Hij had een glaasje jenever voor zich staan. Hij zag er keurig uit in zijn maatkostuum.
‘Ik ben geen kroegtype,’ legde ik uit. ‘Ik kom hier omdat ik Willem even wilde spreken.’
‘Mojjemijhebbe,’ grijnsde Willem.
‘Je bent vast tevreden dat de Moskwitsch al zover is,’ vroeg ik.
‘Anders ik wel,’ zei J.P.
‘Jehoortut,’ knikte Willem.
‘Daarom wilde ik het nog even hebben over het ‘kleinigheidje’.
Willem begon te lachen. ‘Beginieweer. Man, tistochniks…’
J.P. had goed geluisterd en keek nu naar mij. ‘Kleinigheidje?’ vroeg hij.
‘Een tijd geleden heeft Willem een deal met mij gesloten,’ begon ik uit te leggen. ‘Maar het is me nooit precies duidelijk geworden wat hij met ‘kleinigheidje’ bedoelde.’
J.P. keek Willem aan. Er was iets met die blik. Willem keek terug. De uitbundige vrolijkheid vloeide weg. Het werd opeens duidelijk wie er echt de baas was. ‘Kleinigheidje,’ mompelde Willem. ‘Anders niets. Dathephijgedaan.’
‘Je hoort het,’ zei J.P. vlak.
‘Da’s dan mooi,’ zei ik. Ik dronk mijn pils op. Ditmaal geen tweede of zelfs derde. Ik kon straks gewoon naar huis in plaats van wanhopig straatnaambordjes lezen waar ik ook al weer was.
‘Hoezo?’ vroeg Willem gealarmeerd.
‘Ik ga op vakantie,’ zei ik triomfantelijk.
‘Neem eerst een pilsje van mij,’ klonk J.P. naast me. Ik keek naar de bar waar een grote pils kwam aanschuiven. Ik keek naar J.P. Het gezicht zei niets. Maar ik dorst te zweren dat hij zich van binnen te pletter lachte. Pierre Zondag was in de kroeg en dat zou hij weten.
‘Tuurlijk,’ zei ik. Dit keer meende ik het een stuk minder. Zou hij het horen?
‘Vakansie?’ vroeg Willem.
‘We gaan een week naar Zwitserland,’ loog ik.
‘Mooie omgeving,’ zei J.P.
Ik greep de pils van de bar. Ik had hier een paar keer geoefend. Dit keer zou ik als een man naar buiten gaan. Ik dronk de pils half leeg.
‘Waar gaat u precies heen?’ vroeg J.P.
‘In de buurt van Zurich,’ loog ik geoefend verder.
‘Ben ik pas nog geweest,’ zei J.P. ‘Camping of hotel.’
‘Camping.’
‘Welke?’
‘Mijn vrouw weet er alles van,’ loog ik verder. ‘Ik ben steeds de naam kwijt. Ik doe liever iets met mijn handen.’
J.P. knikte.
‘Nou,’ zei Willem, ‘hij dronk een paar flinke slokken bier, ‘dankunnie mogge nog eve helpe.’
‘Dachtikniet,’ zei ik. Verdomd. Het was het bier. Het ging echt snel. Ik werd brutaal. Ik dronk de tweede pils op. Als een man naar buiten zo dadelijk. Geen probleem. Ik was zo helder als glas.
‘Hoesoniet?’ Willem keek me oprecht verbaasd aan. Hij was dit niet van me gewend.
‘Omdat ik genoeg heb gedaan voor het kleinigheidje. Dat heb je net zelf toegegeven.’
‘Meneer Zondag heeft gelijk,’ zei J.P.
Ik keek beurtelings van J.P. naar Willem. De grote rechter had besloten. Willem had niets meer in te brengen. Ik kon nu opstaan en naar huis. Als een man. Rechtop. Niets hield me nog tegen.
‘Mag ik u nog een pils aanbieden,’ zei J.P. ‘Als kleine attentie voor uw bijdrage mijnerzijds.’
‘Tuurlijk,’ zei ik. Ditmaal meende ik er geen barst van. Zou hij dat nou horen?
Er schoof weer een grote jongen over de bar.
‘U moet weten dat de Moskwitsch me echt het gevoel geeft van mij te zijn,’ zei J.P. Dat komt door die initialen in het dashboard. Wist u dat mijn vader die destijds ook had.’
‘Neuheu,’ zei ik. Het spreken ging iets minder, merkte ik.
‘Ook J.P.’ zei J.P. Ik heet naar mijn vader.
‘O ja,’ zei ik dom. Ik zag J.P. in de Moskwitsch zitten en naar zijn dashboard kijken waar zijn initialen hem tegemoet glansden. Soms worden mensen in hun ziel getroffen door een kleinigheid. Dit was J.P.’s kleinigheid.
‘Kleinigheid,’ mompelde ik.
‘Wat zegt u,’ vroeg J.P. Hij keek me belangtellend aan.
Ik dronk mijn pils op. Zette het glas met een klap neer op de bar. Nu weg wezen. Als een man. Rechtop. Niet wankelen. Als de vloer maar niet golfde.
‘Soms hangt het leven van kleinigheidjes af,’ kreeg ik er ongeschonden uit.
Er was opeens een zweem van een glimlach op J.P.’s gelaat. Alsof hij een diepere betekenis in de zin zag die ik nog niet eens in de gaten had.
‘Heren,’ zei ik stoer, ‘ik groet u.’
Willem knikte. J.P. lichtte een denkbeeldige hoed. De zwarte schim achter de bar stond roerloos. Ik liet de barkruk los en liep zelfstandig en rechtop naar de deur. De vloer golfde niet. Er was wel een merkwaardig licht gevoel in mijn hoofd. Maar daar had ik verder geen last van. Ik besloot niet om te kijken om nog even waardig te knikken. Het kon zijn dat mijn coördinatie dan andere dingen besloot.
De deur van ’t Hoekje stond open. Ik rook bijna de buitenlucht. Alles ging goed. Geen straatnaambordjes lezen. Gewoon over de stoep lopen. Genieten van de avond. Niks geen last. Ik leerde het.
Ik knalde tegen de deurpost die plotseling had besloten een halve meter opzij te gaan. Ik mocht eens verwaand worden. Ik verloor mijn evenwicht en rolde over de vloer. Niks man die rechtop het café verlaat maar dronken lor in de goot, dacht ik wazig. Ik kwam overeind, loerde naar die verdomde deurpost die weer gewoon was teruggesprongen.
Aan de bar achter me was het verdomd stil. Wat deden ze. Ik keek nieuwsgierig om. Drie hoofden staarden me aan. Wie was wie? Ik draaide me naar de deur. Die was waar hij moest zijn. Ik liep naar buiten, maar verwachtte een deurpost die me wilde tegenhouden. Daarom kwam het dat ik zo liep te zwaaien buiten. De stoep golfde niet, maar vond het nodig me erop te wijzen dat links niet altijd links is en zo ook rechts. Achter me klonk een daverend gelach. Ik snapte er niets van. Ik liep toch gewoon naar buiten? En zwaaiende armen zijn gewoon goed voor wat lichaamsbeweging. Omdat de stoep ditmaal bleef waar hij moest zijn liep ik gewoon door. Er was een bijzonder licht gevoel in mijn hoofd. Het had niets met bier te maken. Het hoorde bij het gevoel dat het kleinigheidje was volbracht.


0 reacties

Geef een antwoord