Het was zo’n dag in augustus die duizenden Belgen deed zeggen het is toch warm hee, van mij mag het al herfst worden.
En precies die zin had een grote dikke kerel van een jaar of veertig zwetend uitgesproken aan de toog van het bruine cafeetje.
Naast hem zaten drie andere veertigers van dezelfde inkomensgroep, dat was te zien aan hun chique vrijetijdskledij die beter paste in het décor van St Tropez dan in een bruin cafeetje in Antwerpen. “Kijk Jan,” zei een lange magere, “die daar heeft geen last van de warmte”
Hij wees brutaal naar een oud heertje dat net was binnengekomen.
Het heertje was gekleed in een bruin drieledig pak dat in 1950 al niet meer in de mode was en hij had een Al Capone hoed op zijn hoofd.

“Wel, Opa” riep Jan, “is het niet warm genoeg voor je ?”
Het heertje liet een verlegen glimlach zien en zei met een verbazend heldere stem “‘t Gaat wel, ‘t gaat wel”
Dan ging hij aan een tafeltje bij het raam zitten, zette zijn hoed af en legde ‘m voorzichtig op de lege stoel naast hem.
“Een Trappist, alstublieft mijnheer” zei hij ouderwets beleefd tegen de barman.
“Kijk eens aan,” lachte Jan, “dat is een flukse grootvader !”
Allen lachten alsof ze een kind iets volwassens zagen doen.
Het heertje knikte welwillend en keek dan uit het raam.

Aan de toog kabbelde het gesprek voort. De jongens hadden geen interesse meer voor de ouwe.
“Zeg eens, Jan,” zei een vent met een ringbaardje, “had je geen last van de warmte in Indonesië ?”
Jan, blij dat hem een gelegenheid werd geboden om te pochen over zijn vakantie, zei op docerende toon : “Nee, dat is daar een ander soort warmte. Da’s niet zoals hier in de zomer. Ik kon daar veel beter tegen de warmte als hier”
“De vrouwen zijn daar ook warm zeker ?” zei Ringbaardje en maakte een obsceen gebaar.
Allen lachten.
“Vooruit Jan, vertellen,” zei Lange Magere, “en geef maar wat adresjes want volgend jaar ga ik ook naar Indonesië”
“Och jong,” zei Jan, “da’s niet uit te leggen. Je moet er geweest zijn om dat te begrijpen. Ze leven alleen maar om te neuken, eten en slapen. In die volgorde. En ze kunnen ‘n vent verzorgen, daar kunnen de vrouwen hier nog iets van leren !”

Het oude heertje haalde diep adem en zuchtte onhoorbaar. Voorzichtig, in schokjes, liet hij de lucht ontsnappen door zijn neusgaten. Dan nam hij een diepe teug van het zware Trappistenbier en sloot eventjes zijn ogen.

Wat was ze mooi, mijn Sarinah van de desa. Haar lange gitzwarte haren, haar leuk neusje, haar perfekte kleine, jonge borstjes. Ik was ook nog zo jong, zo ontzettend jong. Zeventien jaar ? Ja, ik was zeventien of achttien. Neem haar als huishoudster, zeiden de Nederlanders, je trouwt toch niet met een inlandse meid zeker ? Geniet ervan en gooi ze eruit wanneer je ze beu bent.
Nee, ik heb niet naar hun geluisterd. Ik ben met haar getrouwd, en het was een mooi feest ook, zonder blanken erbij. Och ja, er waren blanken bij. Mijn ouders waren erbij. Wat waren die progressief voor die tijd zeg. Ze hadden er niks op tegen dat ik trouwde met een inlands meisje. Nou ja, mijn vader had ook wel liefjes, en mijn moeder wist dat, maar zei er niks over. Dat ging zo in mijn tijd.
Sarinah, je bent al lang dood en ik kan niet eens naar je graf, want je hebt er geen. Je bent in stukjes geschoten door een Japans machinegeweer toen je die Jap een klap gaf. Die Jap die mij sloeg toen ik met al die andere Nederlanders naar het kamp moest marcheren. Jij kon dat niet aanzien, en je sloeg die Jap in zijn gezicht. Meteen was ons kind dat zalig in je buik lag ook aan flarden geschoten.

De oude heer schrok op uit zijn overpeinzingen. Als een zwarte olievlek dreef de stem van Jan over zijn gedroom.
Overtuigd van zijn deskundigheid doceerde Jan voort : “Ik ben daar ook naar een zogenaamd Health Resort geweest. Het einde ! De service ! Ongelofelijk ! Je krijgt daar een massage, een bad, weer een massage, enfin, fantastisch, maar geen neukerij daar. Daar moet je zelf voor zorgen. Heb ik ook gedaan. Ik heb wat bijbetaald en ik kreeg daar twee neukmeiden, ha ! Ongelofelijk !”

De ouwe heer nam nog een slok van zijn Trappist.
Een health resort. Wat waren we blij toen de Japanse soldaten ons in het kamp van Changi zeiden dat we naar een health resort gingen ! Ze zeiden dat we fonoplaten mochten meenemen. De Japanners zouden zorgen voor grammofoons. De zieken gaan ook mee, zeiden de Japanners, het zal hun goed doen.
Hoeveel zijn er gestorven in de beestenwagons van die trein ? Vijf dagen in die trein en elke dag doden. En hoeveel tijdens die lange mars te voet door de jungle ? Driehonderd kilometer te voet van Bampong naar Nummer Twee kamp in Songkurai, en daar begon de hel pas echt. De zieken kregen halve porties omdat ze niet konden werken. “No work, no food” zeiden de Japanners.
In dat health resort werkten we van 5 uur ‘s morgens tot 9 uur ‘s avonds, en soms zelfs nog later. Dan kwam de cholera. Elke dag vijftig kameraden dood. De Jappen lachten : hoeveel zijn er vandaag dood ?
En we moesten doorwerken, altijd harder werken.
Dan kwam beri-beri, dysenterie, difteria, pokken, tropische wonden.
We werden bij onze haren uit de slaapplaatsen gesleurd, geslagen met bamboestokken, uitgelachen
Een health resort…hadden ze beloofd.

“..en de mannen daar, niks doen ze. De vrouwtjes werken, maar die Indonesische mannen, allemaal luiaards” verklaarde Jan.
Karel, die al lang genoeg gezwegen had naar zijn zin, wilde nu ook wel eens tonen dat hij iets wist over Aziaten.
“De Japanners, dat zijn harde werkers, wat hebben die niet allemaal bereikt ?”

Arifin, mijn vriend Ari. En ook Udin, mijn goeie kameraad. Al dat eten dat jullie brachten naar het kamp in Cimahi en onder de prikkeldraad schoven. Mijn prachtige Indonesische vrienden. Helden. En dan jullie koppen die met twee zwaardslagen in een fontein van bloed in het stof rolden. We waren verplicht ernaar te kijken. Tien van ons werden ook uitgekozen. Tien blanke koppen er af. De Jappen wilden een voorbeeld stellen. Kijk, dat gebeurt er als jullie onze regels niet volgen. Inlanders en blanken, allemaal gelijk : kop er af.
Oppassen, nee, ach, te laat, die tranen kan ik nog altijd niet inhouden. Ik bestel nog maar een biertje.

“Opa kan er goed tegen hee ?” lachte Ringbaardje die de barman een Trappist zag neerzetten voor het oude heertje.
Het heertje keek niet eens op en begroef zijn neus in het glas bier.

De kerels begonnen net aan het onderwerp “hete vrouwen in Thailand” toen een oude rijzige dame binnenkwam. Je kon zien dat ze ooit een schoonheid moest geweest zijn. Zelfs als oude dame was ze mooi, verzorgd, gedistingueerd, met fijne Euraziatische trekken, half Chinees met een beetje Indonesisch en nog wat Portugees bloed. Ze was slank en liep bevallig, haast heupwiegend.
Ze ging naar het tafeltje van het heertje en bleef verrast staan.
Iedereen aan de toog, en ook de barman, keken naar haar.
Meer dan kijken konden ze niet, want ze verstonden geen woord van de conversatie.

“Jongen toch, ben je nou aan het wenen ?” zei ze in het Mandarijn Chinees tegen het oude heertje. “Alles is goed afgelopen in het hospitaal hoor, ik heb geen kanker. De dokters zeiden dat ik nog lang bij jou zal zijn.
Kom, drink je glas leeg, dan gaan we lekker ergens mosselen eten.”
Het heertje stond recht en omhelsde zijn vrouw.
“Ach Mei-Ling”, zei hij in het Chinees, “soms ben ik zo’n ouwe mistroostige vent. Waar zou ik zijn zonder jou ?”
Hij gooide wat geld op het tafeltje en hand in hand wandelden ze de warme straat in.


1 reactie

Godspeed · 25 maart 2003 op 07:25

Mooie column,

Godspeed
:pint:

Geef een antwoord