Het is zaterdag. Al wekenlang hing het overal aangeplakt in ons kleine dorpje: Rommelmarkt in de Loods van Maris. Vandaag is het zover. Al vroeg sta ik te trappelen om te gaan kijken wat er allemaal te koop is en ongeduldig wacht ik tot mijn moeder ook zover is. Ze is mijn broertje aan het aankleden en als dat klaar is kunnen we gaan.
Mijn broertje is twee jaar en hij is schattig. Hij heeft prachtige blonde krulletjes en het liefste gezichtje van de hele wereld. Ik ben dol op hem. En hij op mij. Voor hem ben ik echt zijn grote zus, maar ja, ik ben ook al elf. Mijn oudste zus is twaalf en zij vindt hem ook schattig. Maar de honden vindt ze nóg leuker en daar besteedt ze veel tijd aan. Mijn zusje van vijf is vaak jaloers op haar kleine broertje.
Hij heet Harm, net als mijn vader. We noemen hem Harmpje. Ik heb wel eens aan mama gevraagd, waarom Harm dezelfde naam heeft als papa. “Dat vonden we gewoon leuk,” zei mama toen. Ik vind het raar. En ik vind Harm ook niet zo’n mooie naam.
Ik weet nog goed, dat hij werd geboren. Mijn zus en ik hadden er op onze slaapkamer een bed bij gekregen waar mijn zusje voortaan ging slapen. Dat was omdat haar kamertje de babykamer moest worden. Gelukkig was het wel een grote slaapkamer en kregen mijn zus en ik een stapelbed, zodat we nog wel ruimte hadden om te spelen. Eigenlijk was het wel gezellig, zo met z’n drietjes. We deden vaak spelletjes als het donker was. De avond dat we Sint-Maarten gingen lopen hadden we alledrie een klein zaklantaarntje gekregen voor in de lampion. Het jaar daarvoor een brandend waxinelichtje, maar toen was mijn lampion nog voor we aan het eind van de straat waren in de fik gevlogen. Dat was balen, want toen liep ik de rest van de avond met een stokje met niks.
Die zaklantaarntjes gebruikten we nu om op het plafond bijvoorbeeld een tekening te maken en dan moesten de andere twee raden wat je getekend had. Ook tikten we een liedje op de ombouw van het bed. En dan om beurten raden wélk liedje het was. Of we vertelden om beurten een verhaal. Het was alleen niet eerlijk, want ik moest altijd als eerste vertellen en als ik dan klaar was met mijn verhaal, dan zeiden mijn zusjes dat zij geen verhaal wisten te bedenken en dan gingen we een ander spelletje doen. Of slapen.
Die zondag was mama gewoon meegegaan naar de kerk en ’s avonds had ze ons nog naar bed gebracht. Die nacht schrok ik wakker. Overal brandde licht en hoorde ik stemmen. De stem van mijn vader herkende ik wel, maar er klonk ook nog een onbekende mannenstem. Ik ging mijn bed uit om te kijken wat er aan de hand was. Mijn vader kwam me al tegemoet op de overloop. “Je moet in je bedje blijven. De dokter is nu bij mama en vannacht wordt je broertje of zusje geboren. Ik kom het vertellen, als de baby er is.” Mijn zussen waren inmiddels ook wakker geworden en we lagen in spanning naar de geluiden te luisteren. Het duurde erg lang en af en toe dommelde ik toch even in. Maar dan vroeg mijn zus weer wat en mijn zusje kwam bij mij in bed liggen.
Eindelijk kwam papa vertellen dat er een broertje was geboren. Wat waren we blij! Tot we in de wieg mochten kijken. Ik schrok ervan. Er lag een heel klein rood gerimpeld monstertje te krijsen in de wieg. Het was een verschrikkelijk lelijk kind. Mijn ouders leken dat helemaal niet te zien! Ze waren alleen maar heel erg blij. En ik vond het ook niet aardig om tegen hen te zeggen dat dit kind écht niet leek op de baby op het pak met Molenaar Kindermeel. Want dat was een kind met grote blauwe ogen, vochtige rode lipjes en een prachtig lichtroze babyhuidje.
Toen we naar school liepen die ochtend, spraken mijn zus en ik af wie het aan wie mocht vertellen. Op school vertelde ik aan iedereen die het maar wilde horen dat ik een broertje had gekregen. De kraamverpleegster was heel aardig en er kwam ook veel visite. Dat was leuk.
En nu is hij al weer twee. Hij kan al goed lopen en ook een beetje praten. Dat klinkt heel grappig. En inmiddels vind ik hem het mooiste kind van de wereld.
Als Harm is aangekleed, vraag ik ongeduldig aan mijn moeder: “Gaan we nou nog?” Maar mijn moeder kijkt niet blij. “Eigenlijk voel ik me helemaal niet lekker. Ik heb erge hoofdpijn. Weet je wat? Je krijgt van mij wat geld mee en ga dan maar lekker zelf kijken. Goed?” Ik knik. Tja. Het zal wel moeten. Ik had me er net zo op verheugd dat we met z’n drietjes gingen. Het is altijd zo leuk als Harmpje erbij is.
“Mee?” vraagt Harm, terwijl hij zijn armpjes naar mij uitsteekt. Dat zou leuk zijn! Dat ik alleen met Harm naar de rommelmarkt ga!
“Mag ik hem meenemen? Toe?” vraag ik dus. Mijn moeder aarzelt. “Dan kan u ook lekker even liggen,” probeer ik slim. Dat geeft de doorslag.
“We spreken wel één ding heel duidelijk af,” zegt mijn moeder streng. “Je mag Harm niét uit de buggy halen. Beloof je dat? Het is daar druk en als hij wegloopt… Ik zou me geen raad weten.” Ik beloof het grif. En voel me groot. Ik mag met mijn broertje op stap! We gaan wel eens samen naar het speeltuintje aan het eind van de straat, maar dit is echt een uitstapje!
Vijf minuten later zijn we onderweg. Harm zit lekker in de buggy en kletst honderduit. Mijn moeder zwaait ons een tikje bezorgd na van achter het raam. Het is best moeilijk om met een buggy overweg te kunnen. De wieltjes gaan alle kanten op! Maar ik zet dapper door. Als we bij de Loods van Maris komen – waar normaal gesproken allemaal grote landbouwwerktuigen staan opgesteld – is het al een drukte van belang. Ik probeer met de buggy naar binnen te gaan, maar het lukt maar nauwelijks. Mensen gaan niet aan de kant en bovendien hapert de buggy steeds, vanwege die vervelende zwenkwielen. Soms blijft de buggy een beetje steken en dan kiepert het rotding bijna naar voren. Harm begint een beetje te jammeren. Mensen stoten steeds met hun tassen tegen zijn hoofd. Het lukt me uiteindelijk toch om ons naar binnen te werken, maar mensen kijken allemaal boos naar mij. Dit gaat dus niet werken.
“Uit? Uit?” vraagt Harm. Ik denk na. De belofte aan mijn moeder kan ik natuurlijk niet breken. Toch, als ik haar uitleg dat het echt geen doen was met zo’n buggy door de mensenmassa, dan zal ze het wel begrijpen. “Ik ga je wel dragen hoor! Je mag niet zelf lopen,” zeg ik tegen mijn kleine broertje. Hij lacht alweer. Ik ga aan de zijkant van een kraampje met huishoudelijke spulletjes staan en haal Harm uit de buggy. Hoe moet zo’n ding ook alweer worden ingeklapt? Ik wrik wat en kijk hoe het in mekaar zit, maar het lukt me niet. Ik kijk rond. Als ik de buggy hier laat staan, dan staat die niemand in de weg, besluit ik dan.
Ik til Harm op. Zo, dit gaat beter. We lopen naar de speelgoedkraam en hij kiest een mooi autootje uit. Wat heerlijk om zoiets voor hem te kopen! “Krijg ik een kus?” bedel ik. En een vochtige smak belandt op mijn wang. “Wat een schatje,” zegt een mevrouw die naast mij staat. “Ja hè?” reageer ik trots. Na een tijdje wordt het wel zwaar om hem nog langer te dragen en zet ik hem op de grond. Meteen pak ik zijn handje. “Goed vasthouden hoor,” zeg ik tegen hem. Gelukkig is hij heel gehoorzaam en ik voel me steeds trotser worden, omdat ik toch wel mag spreken over een geslaagde missie. Ik koop nog een knuffelbeer voor hem, wat lekkers, en zielstevreden besluit ik dan om maar eens huiswaarts te keren. Dan wordt mama ook niet ongerust.
We komen bij de kraam met de huishoudelijke spulletjes. Wat gek. Hier had ik toch de buggy neergezet? Ik kijk onder de tafel, ernaast, maar nee hoor, geen buggy. Het zweet breekt me uit. De man achter de kraam ziet mijn zoekende blik. “Ben je wat kwijt?” vraagt hij, terwijl hij een shaggie uit zijn mond haalt. “De buggy van mijn broertje! Ik had hem hier neergezet!” zeg ik wanhopig, slikkend tegen mijn tranen.
“O, was die van jou? Ja, sorry meisje, zulke dingen moet je niet laten slingeren op een rommelmarkt. Ik dacht, dat het handel was.” “Handel was?” Geen idee, wat hij bedoelt. Maar ik word wel weer een beetje blij, want hij heeft de buggy dus wel gezien.
“Ik heb je buggy net verkocht. Voor een tientje. Kijk, aan die man!” Ik volg zijn blik, en zie een man met de ingeklapte buggy van mijn broertje richting de uitgang lopen. Meteen ga ik er achteraan, mijn broertje achter me aan sleurend. “Meneer! Meneer! Die buggy is van mijn broertje!” roep ik steeds. De man hoort mij niet en loopt maar door. Langs het kanaal staan veel auto’s geparkeerd. Mijn moeder zou niet willen dat ik met mijn broertje in de buurt van het kanaal kom, maar daar denk ik nu allemaal niet aan. Ik moet en zal die buggy terugkrijgen!
Eindelijk blijft de man staan bij een auto. Hij zoekt met zijn ene hand in zijn broekzak, met zijn andere hand houdt hij de buggy vast. Dan hoort hij me eindelijk. Hijgend leg ik uit aan hem wat er is gebeurd. De meneer is niet blij. “Ik heb er eerlijk voor betaald hoor,” zegt hij, terwijl hij mij nadenkend aankijkt. Als hij ziet, dat de tranen in mijn ogen staan, besluit hij om met me mee naar binnen te gaan. “Je krijgt de buggy alleen maar terug als ik mijn geld terugkrijg,” waarschuwt hij me. De meneer achter de kraam doet niet moeilijk. Hij zucht wel diep, maar geeft het geld zonder morren. Gelukkig maar. De man geeft mij de buggy en wil al weglopen. Verlegen houd ik hem nog staande. “Dank u wel… maar kunt u de buggy voor mij uitklappen? Ik weet niet hoe het moet…” Zwijgend klapt hij de buggy uit, zet mijn broertje erin en maakt de riempjes vast. Terwijl hij daar mee bezig is, zegt mijn broertje opeens: “Da! Da!” en begint te zwaaien. De man kijkt naar hem en een zweem van een glimlach komt om zijn mond. “Dag jongen,” zegt hij, “pas jij maar goed op je grote zus. Voordat ze weer van die domme dingen doet.”


DreamOn

DreamOn publiceert sinds 2006 columns op het internet. Zij schrijft over alles wat haar bezighoudt. Vaak (te) breedsprakig, maar dat is een leerpunt! In het dagelijks leven is DreamOn pedagogisch coach en heeft ze haar man, kinderen, familie en vrienden lief.

9 reacties

Emiliever · 17 maart 2010 op 21:37

Wat een lief verhaal. Ik zie dat meisje stuntelen bij de ingang, trots zijn op haar broertje bij de speelgoedkraam en voel ik haar wanhoop bij de kraaam met huishoudelijke artikelen…Ik was er gewoon bij! Dankzij jou, dan. Jeugdherinnering?

DreamOn · 17 maart 2010 op 22:08

Ja, ik ben met een serie jeugdverhalen bezig, ik heb er al 5 geschreven, maar dit is de eerste die ik heb ingestuurd.
De verhalen zijn best lang, daarom heb ik het ook maar onder de rubriek ‘verhalen’ ingezonden, want dan maakt de lengte niet uit… 😉

Avalanche · 17 maart 2010 op 23:15

Een mooi verhaal, Do, maar wel lang. Een witregeltje hier en daar had wat rust gegeven en wat mij betreft had je een aantal details weg kunnen laten (de kunst van….. ;-))

SIMBA · 18 maart 2010 op 07:43

Toen ze die buggy parkeerde voelde ik ‘m al aankomen! Mooi verhaal DO!

Fem · 18 maart 2010 op 08:27

Het doet me zo denken aan mijn dochter!
Zij is ook zo trots op haar kleine broertje en zou zo graag zelf een uitstapje met hem maken…
Nu weet ik waarom ik dat nog niet aandurf 😉

pally · 18 maart 2010 op 22:28

Tja, je raadt het waarschijnlijk al, Do: Heel leuk geschreven, maar ik vind het echt te lang. En dan bedoel ik niet alleen als column. Maar
(naar mijn smaak, uiteraard)te breed uitgemeten in de details. Ik vind het wel zonde. Het haalt de kracht er een beetje uit.

groet van Pally

DreamOn · 18 maart 2010 op 22:44

@Pally: toen ik de column plaatste, zei ik al tegen Driek: “Die Pally gaat nou helemaal uit haar dak, de langste column ooit van mijn hand!” 😀
Ik vind dat het in de rubriek ‘verhalen’ wel mag. En wat de lengte en het breed uitmeten betreft, dat is een kwestie van smaak en een kwestie van stijl.
Als ik zelf een verhaal lees, dan kan het me niets schelen hoe lang of kort een verhaal is, zolang het me blijft boeien. Kennelijk boeien lange verhalen jou niet zo, nou dat mag! 😉
Ik heb het verhaal aan verschillende mensen laten lezen en niet één klaagde over de lengte. En ik ben echt al aan het schrappen geweest…
De geboorte van mijn broertje had ik er eerst uitgelaten, maar toch vond ik het thuishoren in dit verhaal.

Na mijn column: ‘De kunst van het weglaten’ had ik wel weer wat extra tekst verdiend, vond ik… 😀

pally · 19 maart 2010 op 21:32

Ja, Do, inderdaad een kwestie van smaak. Het is overigens niet zo dat lange verhalen mij nooit blijven boeien. Het hangt ervan af. In zijn algemeenheid hou ik niet zo van alles expliciet benoemen, maar meer van een manier van schrijven, die heel veel suggereert, door kleine details. Je laat dan ook nog wat aan de fantasie van de lezer over.
Het is voor jou in elk geval fijn dat mensen om je heen het anders ervaren. En wat je mag na een lege column? Ach, alles mag, toch?
😀

groet van Pally

lisa-marie · 21 maart 2010 op 22:44

Bijna had ik hem gemist maar gelukkig toch net niet.
Mooi jeugdverhaal waar ik van genoten heb, ook al vond ik het zelfs wel wat te lang.

Geef een antwoord