Levend kind
‘Soetkin is een zoetkind, Thom een snoepkind en ik een stoetkind.’ Alles aan haar zesjarige spitsvondigheid bulderlacht. De tent schudt, de wind blaast de zeilen en de fruitsapjes tot een luchtkasteel. Om haar heen vliegen hommels, voetballen, pollen en roddels. Niets van dat alles kan ze vangen. Nergens heeft ze schrik voor. Steeds omarm ik haar met wel duizend ogen en boeken.
